Nader tot Reve: Levensarchief Naar de homepage van Nader tot Reve
tak
EENS STAAT ALLES STIL
In Memoriam Gerard Reve
Eens staat alles stil, en dat moet ook. (Het Boek Van Violet En Dood / 81)
Het instinct wil anders, maar ik geloof in mijn beste momenten, dat de Dood een poort is, naar vrijheid, hereniging met God, of, zeer waarschijnlijk, naar een volgend leven. (Brieven van een Aardappeleter / 148)
Ik probeer de dood te bezweren door hem te bevleien en te bezingen. (Gerard Reve In Gesprek, Interviews / 55)
Ik wil oud sterven, moe maar tevreden, als ik iets van het leven zal begrepen hebben en God hebben verstaan. (Brieven Van een Aardappeleter / 17)
Nagedacht heb ik wel, maar tot die slotsom heb ik niet kunnen geraken: ik weet niet wat wezenlijk en beslissend is geweest in mijn leven, en wat niet. Als zo dikwijls, komt ook nu mijn eigen leven mij als onbelangrijk en zinloos voor, en zie ik nergens in dat leven iets dat groots of heldhaftig genoemd zou mogen worden of dat, in helderheid en geladenheid, de kracht zou bezitten van een symbool, dat het zin en duiding zou kunnen geven.
Wat ik hier vermeld, geldt wellicht gelijkelijk voor elk mensenleven. Het menselijk leven kan slechts zin en duiding verkrijgen door de goddelijke genade, en die genade onttrekt zich aan de zeggenschap en de kennis van mensen: aldus weet ik niet en zal ik nooit weten, of in mijn leven deze zin en duiding ooit, door wie dan ook, te vinden en aan te wijzen zouden zijn.
Waarom dan beschrijf ik een leven, waarin ik geen duiding of zin kan ontdekken? Ik zou het niet kunnen zeggen, of het zou moeten zijn omdat ik hoop, dat de Genade zich door mijn pen zou kunnen openbaren. (Oud en Eenzaam / 9)
Al met al heb ik een raar leven gehad, als ik er over nadenk. Niet bizonder, maar wel ongewoon, dat is misschien het juiste woord. Er schijnt in dat leven een voorzienigheid op te treden, niet een die mij ergens naar toe helpt of raad geeft, maar die mij steeds opnieuw doet ontsnappen zonder dat ik dat zelf weet. Vrolijker heeft die voorzienigheid mijn bestaan niet gemaakt, maar er misschien wel richting aan gegeven. Niettemin staan wij voor een raadsel; wij zien in de spiegel van een duistere rede, en ik denk dat het ook zo moet zijn. (Het Boek Van Violet En Dood / 71)
Ik overdacht onophoudelijk, hoe ik alles wat ik in mijn leven gedaan had, zou kunnen begrijpen, rechtvaardigen en het tenslotte zelfs - maar dit was iets vrijwel ondoenlijks en onmogelijks - aan een ander zou kunnen uitleggen. Wat mij het onbegrijpelijkste voorkwam was de verbrokkeling, de verscheurdheid en het eindeloze gebrek aan samenhang van de liefde. (De Taal der Liefde / 32)
Ik heb het gevoel, dat ik erg weinig van mijn leven gemaakt heb. Maar bij jou gevoel ik mij erg gelukkig, & vooral rustig. Er mankeert een boel aan mij, maar jij vindt mij ruimschoots voldoende zoals ik ben. Pas als jij bij mij bent, heb ik het gevoel dat ik leef, & dat ik mijzelve kan ontplooien, & dat ik het beste uit me tevoorschijn kan brengen. Ik vind het zo wonderlijk & mysterieus, dat jij van mij houdt. (Ik Had Hem Lief / 62)
Ik heb één ding, in mijn gehele leven, nooit werkelijk met mijn gehele ziel & met mijn gehele hart kunnen geloven: dat iemand van mij zou kunnen houden. (Ik Had Hem Lief / 25)
Matroos heeft mij mijn lol in het leven en mijn zelfvertrouwen teruggegeven. Ik ben mateloos dankbaar jegens de Moeder van God, Die dit grote, geheel onvoorziene en onverdiende geluk voor mij bewerkstelligd heeft. Je mag nooit lelijke of spottende dingen tegen hem zeggen, want dan sla ik er op. (Schoon Schip / 268)
- Heeft het leven u een zekere vervulling gebracht?
Wat had ik nog meer moeten verwachten? Een trouwe vriend die alle dingen voor me opvangt, ergens wonen waar je je veilig voelt. Ik geef niet om luxe of duur eten in restaurants waar je iedereen tegenkomt. Ik wil niet iedereen tegenkomen. Ik wil niemand tegenkomen, zo zit dat. En als ik in de kast kijk, zie ik dat ik de afgelopen vijftig jaar gemiddeld elke twee jaar een zelfstandig werk van letterkunde heb gemaakt. Ondanks reizen en zoeken. Dat is toch vrij veel. (Elsevier / maart 1997)
Een wonderlijk mengsel ben ik altijd geweest van twijfel, van bescheidenheid, zo gek als het klinkt, en van toch iets willen maken, maar niet zozeer om succes te hebben of beroemd te worden, maar om mensen te ontroeren. Dat is het belangrijkste, eigenlijk. (TV - Koos Postema/ 1988)
Ik heb een redelijk groot talent, maar het zijn vooral de wil en de monomane doordrijverij geweest, die mij ergens gebracht hebben. (Brieven aan Josine M. / 323)
Als ik mijn leven na mijn volwassenwording, en mijn loopbaan als schrijver, thans, nu ik al een flink eind voorbij dat punt gevorderd ben, waarop de Dood zichtbaar wordt, in een samenvattende terugblik mag beschouwen, dan zie ik, dat de ontwikkeling van mijn kunstenaarschap gekenmerkt wordt door felle strijd. Een strijd tegen de chaos binnen en buiten mij, om orde; een strijd tegen onbewustheid binnen en buiten mij, om bewustwording; een strijd tegen eigen en anderer onbegrip, om begrip, en, in eerste en laatste instantie: een strijd tegen eigen en anderer afwijzing, om erkenning. (Een Eigen Huis / 212)
Ik zet niet mijn hele zelf op papier, want er zijn dingen die ik niet vertel, misschien wel nooit & aan niemand behalve bijvoorbeeld de Maagd, & die met mij de Dood ingaan. Maar wàt ik opschrijf, dat ben ik zelf. Er staat nog geen letter of komma, die niet met mijn bloed geschreven is. (Brieven aan Josine M. / 151)
Kunst rendabel maken, en op zijn minst proberen door het maken van kunst in het eigen levens-onderhoud te voorzien, ziedaar mijn droom, misschien wel de enige die ik ooit in mijn leven heb weten te verwezenlijken. (Brieven aan Frans. P. / 8)
Ja, herinnerd worden. (..) Ik zou het wel aardig vinden, als ze zouden inzien dat ik voor mijn werk geleefd heb, al proberend om de mensen iets duidelijk te maken wat het diepste in mij was. En dat ik geprobeerd heb het állerbeste te geven. En dat bijvoorbeeld vijf of zes gedichten, of één hoofdstuk van één boek, zou overleven. (TV - Levenslied / 1995)
Het Revisme als seksueel begrip, dat zou iets zijn! Als Watt, Ampère en anderen voorgoed je naam in de geschiedenis plaatsen, dat is geen kleinigheid. Onzin natuurlijk, want het is alles ijdelheid. (Brieven aan Wimie / 187)
En dan tenslotte is het enige wat je overblijft gewoon te werken, zonder ook maar de geringste hoop, en te aanvaarden dat wat je maakt nergens blijft. En mocht je beroemd worden of blijven, gedurende enige honderden jaren, dan zal het zijn op grond van een totaal verkeerde interpretatie van de werkelijke bedoeling. (Gerard Reve In Gesprek, Interviews / 48)
Maar voortbestaan, ja, ik weet niet of ik het moet ambiëren. Dat is de kwestie. En waar ben je dan en wat kun je dan, in dat nieuwe leven. Krijg je daar weer een kans om iets te doen, ik bedoel niet groter en belangrijker te worden, maar iets te voltooien van wat in je woont en dat zegt: je moet het zeggen, je moet het vertellen, je moet het uitspreken. Ik heb altijd het idee gehad dat er iets in mij was, dat veel te groot en te ambitieus was, en dat ik niet wilde zijn of wilde hebben, maar dat zich wilde verwezenlijken, uiten. In dat opzicht ben ik geen egoïst, want ik stel me in dienst van iets dat veel groter is dan ik, veel belangrijker. (TV - Levenslied / 1995)
Het wordt stil om mij heen. Toch smaak ik, naarmate ik ouder word, behalve de overvloedige wanhoop, ook af en toe een gevoel van vrede. Ook begin ik iets meer te begrijpen van wat de mensen en mijzelf beweegt. (Brieven aan Frans. P. / 78)
Schopenhauer schrijft dat ook; er is een zekere doelmatigheid, zinvolheid in het schijnbaar chaotische lot van de enkeling. Je ontdekt toch orde in ongeregelde periodes van dadenloosheid, jezelf in de weg staan, tevergeefs proberen technisch nieuwe wegen te openen. (Gerard Reve In Gesprek, Interviews / 238)
Ik vergat jullie nog een Droom te vertellen, die ik enige dagen geleden had. Ik kwam aan de hemelpoort, tenminste zo typeer ik maar, eenvoudshalve, de situaatsie. Het was een soort portiersgebouwtje, als bij grote fabrieksemplacementen, met een bordje: Hier melden. Een ongelooflijke tocht stond er, die papieren en dorre bladeren voortjoeg. De portier had maar één arm, en een bril, die vaak afviel, en kon mijn naam maar niet thuisbrengen. Hij zocht in kaartenbakken en laden, zuchtend en mopperend. Tenslotte was mijn dossier gevonden, dat ik moest ondertekenen. Nu weet je, dat ik mijzelf als een zeer slecht en zondig mens beschouw, en aan die beschouwing van mijzelve tevens een niet gering genot ontleen. Maar in dat dossier stond allerlei onzin. Ik bedoel: dat ging niet over mij, maar kennelijk over geheel iemand anders. Het leek mij de biografie van een autohandelaar, annex heler, annex frauduleuze financierder. (...)
Ik sputterde, maar God (de portier) zuchtte en kankerde, dat het 'maar een formaliteit' was, en 'als je dat allemaal moest uitzoeken, waar bleef je dan' etc. Ik heette trouwens ook anders: Revenboer, of iets dergelijks. (Ik geloof dat die naam bestaat, trouwens.) Ik tekende maar. Het was wel een echt hersenspoelende droom: zelfs je zonden worden je ontnomen. Diep vernederend. En dan God niet heersend 'met Zijn rechtvaardigen en Zijn machtigen arm', maar met maar één arm. Nee, het was niet Petrus, het was God zelf, dat wist ik zeker. Allemaal gratis, zo een droom. Ik hoop dat hij jullie opbeurt. (Brieven aan Simon Carmiggelt /126)
'Zo ziet men hoe elk wezen, eenzaam geboren,
eenzaam sterft
en eenzaam liefheeft, en God ook eenzaam zoekt.'
(Verzamelde gedichten / 104)
H. M. M. V. G. B. V. O. Z. N. E. I. Het Uur Van Onze Dood Amen. (Ik Had Hem Lief / 128)
Voor de orkestmeester. Een herfstlied, of avondzang. Ik zou wel willen, dat deze brief vol zachtheid en tederheid kon zijn, met somtijds huiveringen van stilte en Aandacht, en geheel zonder gramschap jegens enig schepsel; ik zou willen dat hij een ieder die hem leest stil moge maken, en sommigen zelfs aan het schreien moge brengen - want dat is het hoogste. Dat verlang en hoop ik, terwijl ik aan het raam zit en naar buiten staar. Het is helder weer, en windstil, maar toch is het soms, of ik van verre een ijle, klagende stem hoor, als van de wind door de toppen van een duister naaldwoud. (Kom je gauw? Ja hoor, ik kom zo. Warte nur, warte nur.) (Nader Tot U / 37)
'Het is gezien,' mompelde hij, 'het is niet onopgemerkt gebleven.' Hij strekte zich uit en viel in een diepe slaap. (De Avonden / 222)
Samenstelling: Ans Willems, april 2006