Nader tot Reve: Levensarchief Naar de homepage van Nader tot Reve
tak
Familie
Arnon Grunberg leest Karel van het Reve. Onlangs verscheen er een Rainbow Pocket met deze titel, een poging van Grunberg om anderen ook zover te krijgen. Hij verzamelde daartoe zijn favoriete stukken uit het werk van Karel van het Reve.
Maarten Biesheuvel had ons er al veel eerder van kunnen overtuigen dat Van het Reve lezen de moeite waard is. Wat Biesheuvel zelf schrijft is van een ontroerende schoonheid, dus hij kan het weten. In zijn verhalen komt Van het Reve vanaf 1972 met grote regelmaat voor.
Voor Karel van het Reve heb ik een diepe bewondering. Hij rookt niet en drinkt niet, hij is wijs en altijd bescheiden en bovendien is hij altijd grappig en origineel. En dan schrijft hij nog hele mooie essays. Toen ik in 1966 voor het eerst krankzinnig werd, dacht ik waarachtig nog an toe dat Karel God was. Ik dacht dat hij het heelal geschapen had en het paradijs weer zou kunnen laten aanbreken. Soms denk ik dat nog wel eens. (De Angstkunstenaar / VPRO 1991)
Voor Grunberg gaat dit te ver.
Wij moeten ons vasthouden aan de gedachte dat Karel van het Reve schrijver en denker was.
Hooguit mogen wij af en toe aan hem refereren als halfgod, maar niet vaker dan drie keer per jaar. (Arnon Grunberg leest Karel van het Reve / 19)
Nader tot Reve
Gerard Reve had een heel eigen kijk op zijn broer. Bijna 75 jaar oud herinnerde hij het zich nog precies.
Mijn moeder dacht dat ik dichter werd, dat wist ze absoluut zeker. En ze bewaarde gedichtjes voor me. Het vervelende was dat als ik iets opschreef, thuis, en ik verborg het niet, dan pakte mijn broer het en die verscheurde het. Dat heeft hij tot mijn 20e, 30e altijd gedaan. (Close Up / documentaire 1998).
Hij gaf er ook een verklaring voor.
Ja, die geleerde broer, die heeft gevoeld dat er iemand na hem geboren werd die hem zou inhalen en voorbij streven, en die heeft mij zo geterroriseerd. Maar dat is niet zo erg, iedereen komt met die verhalen. Dat ze zo mishandeld is als meisje door haar broertjes, weet ik veel, dat ze in een zak aan de waslijn is opgehangen. Die terreur was verschrikkelijk, maar die is ook naderhand niet opgehouden. (Radio-interview Tom Rooduijn, 1982)
Zijn conclusie was onverbiddelijk.
Met mijn broer is geen zinnig woord te wisselen, omdat hij heel geleerd is, maar niks weet en nooit ergens van gehoord heeft. Hij komt in ' 73 of '74 bij mij op mijn landgoed in Frankrijk, en schrijft daarna onder het pseudoniem Broekman een vreemd, infamerend artikel - dat hij bij me langs komt en daar een rapportage over zou schrijven heeft hij mij nooit verteld - en geeft daar dingen weer die ik hem vertrouwelijk vertelde. En dat malle artikel toen, in het Handelsblad, heeft mij veel moeilijkheden bezorgd met vrienden. Ik was er erg kwaad om, en dat heeft een verwijdering teweeg gebracht. Heb ik laatst, een jaar of anderhalf, twee geleden, een verzoenende brief geschreven. Nooit antwoord op gehad. Het is een man die erg gelukkig is in dat milieu van die mensen waarmee hij omgaat, die intellectuelen die van intelligentie buiten hun schoenen staan. Maar hij zegt in een interview over mij dat hij niet begrijpt dat ik homoseksueel ben. Dat ik tot die mensen behoor, dat is hem een groot raadsel. Nou, ik ben toch niet de enige op de wereld. En dat ik rooms-katholiek ben geworden, dat is helemaal de waanzin, de krankzinnigheid ten top, begrijp je. Achthonderdmiljoen mensen hangen dat aan, maar die zijn allemaal geschift en hij is goed bij zijn verstand. (Radio-interview Tom Rooduijn, 1982)
De vraag aan Gerard of zijn familie begrepen had dat hij, in zijn optiek, door katholiek ter worden echt een stap deed naar een gelukkiger leven, beantwoordde hij ontkennend.
Nee. Ongeveer een jaar later ging ik op een zaterdagavond gewoon eens op bezoek bij mijn geleerde broer, en toen zaten daar een stuk of tien mensen. En ik zat daar, er werd gekeken en niemand dorst iets te zeggen. Het eerste was al eerder uitgelekt, en dat was natuurlijk onafwendbaar, onherroepelijk, dat was dat ik van het handje was. Maar nu was ik ook van het houtje geworden. En ik zat daar, en langzaam kwamen er heel voorzichtig wat vragen. In werd in een staat van beschuldiging gesteld eigenlijk, want ja, de vooruitgang en de rede had ik helemaal verlaten. En toen zei ik: nou, ik wou wat zeggen. Ik geloof dat veel mensen zich nergens in verdiepen, niet eens een boek lezen, eens kijken wat hetgene is wat ze verwerpen. Misschien staat het hun best aan als ze het lezen. En toen zei ik tegen die hele geleerde gemeente - het zijn nu allemaal professoren, als ze niet dood zijn of met pensioen zijn -, toen zei ik: bijvoorbeeld, morgen is het zondag, en morgen is het Pinksteren. Wat is en betekent het feest van Pinksteren? Niemand in die hele kamer wist dat... En dat vind ik wel een beetje culturele armoede, dat je dat niet weet. (Karel van de Graaf / tv-interview 1993)
Beide (Van het) Reves ontvingen de hoogste literaire onderscheiding in het Nederlands taalgebied, de P.C. Hooftprijs. Karel refereerde in het dankwoord bij de aanvaarding ervan in 1982 zijdelings, maar openlijk, aan zijn broer.
Als een kind een gedicht van Annie Schmidt leest of een bejaarde een verhaal van Carmiggelt of een werkloze jongere een boek van Gerard Reve - (...)
(Arnon Grunberg leest Karel van het Reve / 193)
Het zal wel als grap bedoeld zijn. Gerard legde zich erbij neer. Hij had geprobeerd van zijn broer te houden - dit zei hij in 1995 in een tv-programma van Theo van Gogh -, maar die hield niet van hem. Zo zat het, daar was niets aan te doen.
Ach, we hadden vreselijk weinig contact eigenlijk. Het contact was altijd erg moeilijk. Hij aardt meer naar mijn vader, ik aard meer naar mijn moeder. (Homo-nos, radio-interview 1988)
Veel gemeenschappelijks deelden ze inderdaad niet. Allebei bejubeld om hun uitzonderlijke gevoel voor humor, konden ze met elkaar zelfs niet lachen.
Rudy K. begrijpt niets van mijn boeken, en vindt de kinderachtige flauwiteiten, in de redevoeringen van mijn Geleerde Broer onvergankelijk erfgoed onzer cultuur. (..)
Begrijp jij, waarom een hele zaal giert van het lachen, als mijn Geleerde Broer mededeelt, dat hij zulk een medelijden met al die miljoenen mensen heeft, die vóór Christus leefden, en die dus in de hel zijn gekomen. (Brieven Van Een Aardappeleter / 241)
Gerard Reve beschreef al in 1963, drie jaar voor zijn intrede, de wereld van de katholieke kerk als een gebied
(..) waarin ik beslist iets wezenlijks van mijzelf vertolk, en waarop laatdunkende, oppervlakkige spot mij nogal onaangenaam aandoet, net zo bedroevend als de houding van de mensen die in het brood en de vissen of de wijn op de bruiloft niets anders kunnen zien dan onwaarschijnlijke verzinsels (..) Die niet willen inzien, dat het een ramp voor de wereld zou zijn, als deze genezing brengende, in duizenden jaren strijd en getob moeizaam geformuleerde mythe van menswording en onvoorwaardelijke inzet, verloren zou gaan. (Brieven aan Wimie / 119)
Karel kon er zich in 1980 nog steeds niets bij voorstellen.
Die religieuze streak? neiging? tic! had hij al als jongetje van elf jaar, toen hij in de Watergraafsmeer naar een bepaalde kerk ging. (..) Ik heb nog steeds de bijbel die hij toen had - hij had een bijbel, terwijl er in ons huis eigenlijk geen bijbel was. Dus die religieuze tic, die had hij. (Hoei Boei! / Dick Slootweg & Paul Witteman)
Geen religieuze neigingen, maar Karel had zeker een frivole kant, getuige een door hem gemaakte limerick. Niet de vrijmoedige taal die we kennen van zijn broer, maar toch.
Een rijksambtenaar tweede klasse
Zat 's avonds zijn voeten te wassen.
Hij wou op het zand
Van het Tesselse strand
Ontkleed zijn verloofde verrassen.
(Vandaag 1 / uitg. Bruna 1954)
Nader tot Reve
Grunberg is niet enkel lof, hij maakt ook kritische kanttekeningen ten aanzien van Karel van het Reve. Met name diens voorkeur voor boterhammen met pindakaas - volgens Grunberg een van de weinige autobiografische details in het oeuvre - bevalt hem niet.
Ik houd niet van pindakaas, ik vind pindakaas zelfs erg vies, en Van het Reves voorkeur voor pindakaas in het bijzonder en een bepaald soort voedsel in het algemeen treft mij soms als een tikkeltje koket. Misschien is dat een familietrekje want als zijn broer schrijft dat hij het liefst van oude kranten zou willen eten geloof ik daar ook al niets van.
Er zit in die familie ein Hang zum niedrigen die hier verder maar onverklaard moet blijven. (Arnon Grunberg leest Karel van het Reve / 11)
Gerard Reve gaf geen verklaring, maar had het er wel over.
Een wonderlijk mengsel ben ik altijd geweest van twijfel, van bescheidenheid, zo gek als het klinkt, en van toch iets willen maken. Maar niet zozeer om succes te hebben of beroemd te worden, maar om mensen te ontroeren. Dat is het belangrijkste, eigenlijk. (Televisiegesprek met Koos Postema, ter gelegenheid van de 65e verjaardag van Reve)
Niet een drijfveer, die je ook bij Karel van het Reve verwacht aan te treffen. Gerard Reve kwam er echter telkens op terug.
Kunst is gestileerd menselijk handelen (of een product daarvan), dat een ontroering teweeg brengt. In de definitie zijn zowel de stilering als het menselijke van het handelen, én de ontroering essentieel en onontbeerlijk. (Zelf Schrijver Worden / 14)
(..) de opdracht van de kunst is duiding van de werkelijkheid, wat niet betekent, dat zij die werkelijkheid weergeeft, verklaart of ontraadselt. (Zelf Schrijver Worden / 15)
Ik moet proberen het persoonlijke, dus wat mij ontroert of wat ik meemaak, door middel van mijn werk een universeel karakter te geven. (Elsevier / mrt. 1997)
Het is me ook overkomen met het werk van anderen. Ik zag Dood van een handelsreiziger op het toneel, en ik heb de hele voorstelling zitten janken. Want ik denk, hoe kan die man dat weten, hoe kan die man mijn jeugd beschrijven, in een ander land, ergens. En als je het nagaat, in de details, klopt er niks. (Radio-interview Ad Franssen / 1987)
Het publiek wil maar één ding: ontroerd worden. Het wil lachen of huilen, of liefst, als het kan, allebei. Maar het heeft aan een 'boodschap' geen boodschap. (NRC-Handelsblad / febr. 1985)
Het is de taak van de kunstenaar om tot uitdrukking te brengen wat de massa zich nog niet bewust is, maar wat er al wel is. (Brieven Aan Josine M. / 524)
Net als een wetenschapper probeerde Gerard Reve de wereld begrijpelijker maken. Hij zocht een noemer, en een vorm, die tegendelen kon verenigen. Het denken en voelen wilde hij niet altijd scheiden, het waagde het erop het onbewuste ook eens aan het woord te laten. Naast het rationele mocht in zijn universum de irrationaliteit niet ontbreken. Al betekende het dat zijn denken en zijn taal voor velen onverstaanbaar werden.
Ik zoek niet naar wetenschappelijke werkelijkheid, maar naar formuleringen, die het woordloze en onzegbare de eer en plaats geven die het toekomt. (Brieven Aan Josine M. / 120)
Hij liet zich zelden uit over de waarde van zijn eigen werk, en hield niet van verering.
Ik word als een soort god, als iemand van een verre planeet, gevierd, en dat ligt mij niet, hoe ijdel en ambitieus ik ook ben. (Brieven Aan Matroos Vos / 269)
Ook Sjaak Hubregtse, samensteller van Tussen chaos en orde / Essays over het werk van Gerard Reve, meende hij tot bedaren te moeten brengen.
Jij vindt alles wat ik geschreven heb, Gods woord, ik zie het ietwat kalmer. (Brieven Aan Geschoolde Arbeiders / 275)
Blijft staan dat zijn grootheid, hoe ondoorgrondelijk ook, al bijna 60 jaar door vriend en vijand wordt geprezen. In tegenstelling tot zijn broer staat schrijver Gerard Reve niet als denker te boek. Onterecht, maar voor hem zelf hoeven we dat niet te veranderen. Hij kan zich er nu niet meer mee bezig houden.
Tekst: Ans Willems, 28 augustus 2004