Nader tot Reve: Levensarchief Naar de homepage van Nader tot Reve
tak
God is geen gans
Over godslastering gesproken
Gerard Reve had gewoon een gezellige brief willen schrijven, 'zoals de meeste mensen die schrijven'. Hij verbleef destijds in Spanje en Portugal en liet zich door zijn bank geld sturen. Omdat de medewerkers altijd erg hartelijk en hulpvaardig waren en hun best deden zijn zaken op tijd voor hem te regelen, en zij bovendien in een verschrikkelijk kantoortje tussen vier muren onder daglichtlampen moesten werken, vond hij het naar om telkens alleen maar met de opdracht 'stuur geld' aan te komen zetten. Dus schreef hij er altijd iets omheen, iets menselijks en iets literairs. Maar waarom over een ezel, vraagt de president van het Amsterdamse gerechtshof. Reve legt uit dat op een of andere manier de dieren van het land, dat hij bezoekt, hem boeien. Zo ook meldt hij in 1963, kort na zijn terugkeer, in een interview met De Nieuwe Linie over Spanje: 'Alles is heel triest en arm. En dan maar op dieren rammen en trappen!' In de bewuste brief aan zijn bank klinkt eenzelfde bewogenheid door.
Maar het liefste zijn hier de ezels. Dat zijn zulke schatten! Maar ze hebben het heel hard. Ik geef ze altijd mijn suiker, want die gebruik ik niet als ik op terrassen koffie drink. Als God zich opnieuw in de Levende Stof gevangen geeft, zal Hij als Ezel terugkeren, hoogstens in staat een paar lettergrepen te formuleren, miskend en verguisd en geranseld, maar ik zal Hem begrijpen en meteen met Hem naar bed gaan, maar ik doe zwachtels om Zijn hoefjes, dat ik niet te veel schrammen krijg als Hij spartelt bij het klaarkomen.
Ach, soms smelt je hart, als je een ezel ziet met een ezelsveulen - wie dat ziet en dan nog God zou kunnen loochenen, dat is mij onbegrijpelijk. Want een kleine ezel is net een jonge herdershond, maar dan in het groot, en heel aandoenlijk hoog op de poten, en hij doet de hele tijd dartele schijnaanvallen op zijn moeder. Je moet gewoon huilen als je het ziet. Ik zoen ze altijd allebei op de kop, want dat moet. (Archief Reve 1961-1980 / 173)
Gezellig of niet, Reve wordt in 1966 naar aanleiding van deze passage strafrechtelijk vervolgd. De Brief aan mijn Bank was in het jaar daarvoor gepubliceerd en er was heibel over ontstaan. Volgens artikel 147 van het Wetboek van Strafrecht mag niemand zich in het openbaar, mondeling of bij geschrift of afbeelding, door smalende godslasteringen op voor godsdienstige gevoelens krenkende wijze uitlaten. Een geldboete of zelfs gevangenisstraf kan opgelegd worden. Daarnaast verklaart de antirevolutionair H. Algra zich in de Eerste Kamer ook nog eens tegen het verlenen van regeringssubsidie aan Reve.
Het was geen donderslag bij heldere hemel. Na zijn reis door Spanje had Reve zich voorgenomen voortaan te zullen schrijven zonder vrees voor het oordeel van anderen. Hij zou schrijven wat hem op het hart lag, of niet schrijven. Maar hij maakte zich geen illusies, eind 1964 zag hij de bui al hangen.
Als je het mij vraagt, gaat er iets in mijn werk doorbreken, dit jaar misschien nog wel, dat, als het eenmaal in volle heftigheid te voorschijn komt, velen zal verbazen, een aanzienlijk aantal mensen met bewondering zal vervullen, maar ook velen van me zal vervreemden, die zich met afschuw van mij af zullen wenden. De ontzetten en geschrokkenen zouden wel eens heel talrijk kunnen zijn, en in getal de bewonderaars overtreffen. Daarom vooral moet ik hard werken, en voorbereid zijn op felle tegenstand, wegvallen van subsidie, etc. (Brieven aan Josine M. / 114)
Het onweer breekt inderdaad los. De arrondissementsrechtbank te Amsterdam acht in haar vonnis smaling onvoldoende, maar godslastering volledig bewezen. De passage met de ezel wordt getoetst aan 'het in brede kringen van de Nederlandse samenleving aanvaarde godsbeeld' en men beschouwt daarbij het gezichtspunt van degene, die zich gekrenkt voelt, als bepalend voor de vraag of de passage godslasterlijk is. Tijdens het verhoor van de getuigen beweert de officier van justitie dat het werk van Reve provocerend en exhibitionistisch is. Dit gaat te ver, Reve springt op om het meteen te weerleggen: 'Mijn werk is buitengewoon kuis en puriteins.' Wat natuurlijk ook zo is.
De zaak dient in 1967 in hoger beroep voor het Amsterdamse gerechtshof. Anders dan bij de rechtbank stelt men hier centraal of er opzet in het spel was, wat betreft het krenken van godsdienstige gevoelens van anderen. 'Erkent u niet dat u provoceert, zij het dan eventueel met de beste bedoelingen, maar dat u iets prikkelt?' 'Weet u, dat velen gekwetst worden door de voorstellingen die u oproept?' Reve houdt vast aan de oprechtheid van zijn intenties en antwoordt dat hij de zogenaamd gekwetsten niet serieus kan nemen, afgaande op wat ze over hem beweren en hoe ze hem aanvallen. 'Waarom zou u twijfelen aan hún oprechtheid, als u vraagt om niet te twijfelen aan de uwe?' 'Concreet gezegd: u stelt dat u nooit hebt begrepen noch hebt ingezien - vanaf de beginne niet, zeker niet voordat er reacties kwamen - dat de voorstelling die u geeft hier en daar wel kwetsend móét zijn, wel móét krenken.' Reve staat terecht, maar gaat niet door de knieën.
Ik zie niet in dat het echt krenkend zou zijn, in de zin van belediging of laster. Ik kan wél inzien, dat het een aantal mensen niet bevalt, zoals een boek, een toneelstuk iemand niet bevalt. Maar dat het werkelijk mensen in het diepst van hun ziel zou kunnen grieven, in hun godsdienstige gevoelens, dát kan ik niet geloven. (De God van je tante - Fekkes / 116)
Een onwaarschijnlijk antwoord? Nee, een blijk van heilig vertrouwen in de eigen principes en bedoelingen. Reve verschuilt zich daar niet achter, maar zit zo in elkaar. Deze keer komt dat goed van pas, al erkent hij jaren later dat het in de dagelijkse omgang met anderen wel eens lastig is.
Het is geen echt egoïsme van mij, maar dat waar ik aan denk en wat mij voor staat en mijn ideeënwereld, die is zo overheersend, dat eigenlijk iemand niet met mij leven kan. (..) Ik ben zo overtuigd, wat ik vind van iets dat hoort een ander ook te vinden, wat ik fatsoenlijk en rechtvaardig vind. Ik kan me niet voorstellen, dat iemand anders over de dingen denkt dan ik. Dat maakt het niet zo makkelijk. (Alleen op de wereld / Documentaire '91)
Bij het gerechtshof echter komt Reve als overwinnaar uit de strijd. Hij heeft zelf de verdediging gevoerd (Een Eigen Huis / 177) en wordt volledig vrijgesproken, zowel van het beschimpen of honen van God, als van opzettelijk smalen. Het beroep, dat de tegenpartij tegen deze vrijspraak aantekent, wordt door de Hoge Raad niet-ontvankelijk verklaard. Voor Reve krijgt het proces hierdoor zin.
Ik vind dat de jurisprudentie een stap vooruit is gebracht, omdat van nu af aan de bedoelingen van de auteur en niet de opvattingen van de lezers beslissend zijn. Die wet blijft in mijn ogen een fossiel, een onmogelijkheid in een rechtsstaat. Ik heb nooit de bedoeling gehad om God of de religie te bespotten, maar elke burger zou daartoe het recht moeten hebben. Nu gaat alleen iemand die zijn godsdienstige opvattingen serieus verwoordt, vrijuit. (De God van je tante - Fekkes / 177)
Nader tot Reve
Reve zag in de hele rechtzaak niet meer dan een godsdiensttwist, een confrontatie tussen verschillende godsbeelden. De overheid behoort zich daar volgens hem niet via het strafrecht in te mengen. Een staat die godsdienstvrijheid kent mag nooit het ene godsbeeld boven het andere speciale bescherming bieden. Ook wie aan geen enkel godsbeeld waarde hecht, moet daarvan vrijelijk kunnen getuigen. Wel bepleit Reve zorgvuldigheid.
De kunstenaar past de zorgvuldigheid die ook andere burgers betaamt. Er zijn tegenwoordig een massa lieden die zeggen: de kunstenaar moet alle vrijheid hebben. Maar de kunstenaar komt geen enkele andere vrijheid toe dan andere burgers. (De God van je tante - Fekkes / 113)
Geen ongelimiteerde vrijheid dus. Maar waaruit bestaat die zorgvuldigheid? Zelfs Reve goede gezinde medeburgers tasten op zoek naar het criterium in het duister. Tijdens de viering in de Allerheiligste Hart Kerk in 1969 wordt twijfel bespeurd inzake de ernst, waarmee hij spreekt over zijn religieuze overtuiging. 'Hindert dit u, of lokt u het zelf eigenlijk een beetje uit, door uw formuleringen?'
Ik geloof, dat wanneer men zijn religieuze inzichten met de alleruiterste intensiteit in geschrifte, in kunstvorm, uit, dat men altijd, naarmate die uiting intens en mystiek is, de grens van godslastering nadert. Dit is onvermijdelijk. Men kan alleen maar de grote geopenbaarde waarheid omhelzen, als men ze óók kan bespotten. Zij zijn waar, omdat ze bespot kúnnen worden. Men kan van de Heilige Maagd zeggen dat zij de Moeder van God is, dat zij waarlijk God is, en men kan ook zeggen dat het een of andere meid is geweest die zich met de melkboer misdragen heeft. Maar dat raakt de zaak niet, dat raakt haar glorie niet. Deze dogma's zijn onaantastbaar voor welke spot ook. Wanneer men met God verkeert, dan kan men hem aanbidden, maar men moet ook met hem strijden, ook met hem worstelen, hem ook uitdagen. Al deze dingen zijn onvermijdelijk aan een volledige religieuze ervaring.
Een ruimhartige visie. Tegelijkertijd zijn er echter grenzen, waar Reve op grond van een innerlijke overtuiging diep voor buigt.
Jij zou zonder gewetensbezwaren aan God als aan hem, zonder hoofdletter, durven refereren - ik zou liever dood willen zijn, dan daartoe de moed te bezitten. (Ik heb mijn medewerking aan Hollands Diep mede opgezegd, omdat ze God met een kleine letter believen te schrijven.) (Brieven aan Josine M. / 398)
Het betreft hier wetten en waarheden van het hart, het koninkrijk dat in ons is. Met strafrecht hebben ze niets te maken. Sterker nog, wie meent ze te kunnen opleggen aan of afdwingen bij anderen doet de religieuze waarheden geweld aan. Het is respectloos, zoals een gedwongen huwelijk getuigt van weinig respect voor het wezen van de liefde. Het mag dan voor Reve onbegrijpelijk zijn als anderen zijn inzichten niet delen, hij in elk geval laat anderen hun eigen waarheid en de eer houdt hij aan zichzelf. Hier toont zich zorgvuldigheid en geloofwaardigheid. De behoefte om dwang uit te oefenen is niet verenigbaar met een authentiek religieus besef, en wijst op heel andere dan religieuze bedoelingen.
Maar, hoe tegenstrijdig ook, het is Reve die terecht staat, en niet degenen die menen hun godsbeeld aan hem te moeten opdringen. In plaats van de zo essentiële vrijheid van godsdienst te beschermen daagt de overheid Reve voor de rechter vanwege zijn persoonlijke visie. Tegen alle verdenking in verklaart Reve dat zijn teksten geen intellectualistische grappenmakerij zijn, en niets van doen hebben met provoceren of kwajongensachtigheid. Hij noemt het vertolkingen van zeer duurzame, met de diepste lagen van zijn ziel verbonden inhouden. De in het zogenaamde Ezelproces gewraakte passages vat hij op als een intense, hartstochtelijke uiting van zijn Godsverlangen, maar geenszins letterlijk.
Van het tot een pakket aangegroeide aantal prentbriefkaarten van ezels dat ik het afgelopen jaar van supporters heb ontvangen, moge ik er u hierbij twee overhandigen. Alleen iemand zonder hart kan mijn idee, dat God als Ezel incarneert, ten kwade uitleggen, en alleen symboolblinden kunnen in gebreke blijven, in deze twee afbeeldingen de traditionele voorstellingen te herkennen van respectievelijk het Lam Gods en de Kruisdraging van Christus. Wanneer God Zichzelf in Zijn Liefde aan mij offert, doet Hij dat op een wijze die symbool is bij uitstek van uiterste, volledige en tevens allertederste onderwerping: Hij geeft Zich aan mij in seksuele overgave, daarbij de soort intimiteit kiezend die, voor mij, boven elke andere verheven is en alle verstand te boven gaat: Hij laat Zich door mij in Zijn Geheime Opening bezitten. Seksueel verkeer van de Godheid met een mens is in de godsdienstgeschiedenis gewoon. (Een Eigen Huis / 188)
In antwoord op de vraag naar wat hem tijdens het hele proces het meest getroffen heeft noemt Reve dan ook het feit, dat ontzaglijk veel mensen, en niet alleen tegenstanders, religieuze teksten letterlijk interpreteren. Zelfs bij de behandeling voor de rechtbank kwam dit naar voren, zij het in veel mindere mate bij het hoger beroep voor het gerechtshof.
Ik ben ervan overtuigd, dat, behalve uit de discrepantie tussen mijn Godsbegrip en dat mijner wederpartij, de narigheid mede verklaard kan worden uit het feit, dat sommige mensen niet begrijpen dat een religieuze tekst tegen elke interpretatie bestand is, behalve tegen die van de letterlijkheid. (Een Eigen Huis / 201)
Elke voorstelling van God is slechts een beeld, aangezien God immers nooit van aangezicht tot aangezicht gezien zal kunnen worden. De strafvervolging is volgens Reve dan ook 'geïnspireerd door aanmatiging, onverdraagzaamheid en domheid - deze drie, maar de meeste van deze is de domheid.'
Als ik van een geliefde dode de hoop uitspreek, dat die zich 'onder Gods vleugels' moge bevinden, beschuldigt men mij ervan, dat ik beweer dat God een gans is. (Schoon Schip / 278)
Nader tot Reve
Het valt hem op dat zowel orthodoxe gelovigen als tegenstanders van religie geneigd zijn religieuze teksten letterlijk te interpreteren.
Of, om het wat cru te zeggen: het godsbeeld van de atheïst verschilt in niets van dat van de primitieve en fanatieke gelovige: oude, toornige man met baard die hoog in de lucht leeft. (Brieven van een Aardappeleter / 103)
De orthodoxie aanvaardt de leerstellingen letterlijk, de andere partij neemt ze eveneens letterlijk maar verbindt daaraan het verwerpen van die leerstellingen. (Gerard Reve In Gesprek, Interviews / 170)
De ontwikkelingen binnen de kerk van de zestiger jaren brengen hierin volgens Reve weinig verbetering. Hij verdenkt de zogenaamde vernieuwers binnen de kerk ervan symboolblind te zijn.
Ze kunnen bijvoorbeeld in een tekst van de Schrift - in een poëtische, mythische, dikwijls veelduidige en soms zelfs dubbelzinnige tekst - geen inspiratie vinden. Daarom moeten ze het allemaal letterlijk hebben en daarom moet alles worden geactualiseerd. (Gerard Reve In Gesprek, Interviews / 172)
Het hedendaagse christendom is volslagen halfzacht, kleurloos, a-religieus, kunstvijandig & onmystiek. Ook het katholicisme is door allerlei vormen van pseudo-menselijkheid & van voorgewende maatschappelijke betrokkenheid aangetast. (Brieven aan Josine M. / 245)
Zonder de symbolen verschraalt alles tot een soort vrijzinnig protestantisme, waar niets tegen is, maar dat naast het humanisme volstrekt geen reden van bestaan heeft. (Archief Reve 1961-1980 / 206)
Ik denk dat de Islaam meer mystiek kent dan het Christendom, ik bedoel vandaag de dag, nu het Christendom uiteen is gevallen in botte leerstelligheid enerzijds en vage ethiek anderzijds. (Brieven van een Aardappeleter / 51)
Over sex en God schrijven is vragen om moeilijkheden, zoveel is zeker. Reve heeft ervaren dat er niet wordt gezocht naar de werkelijke betekenis van zijn teksten, naar de functie die ze hebben binnen het geheel van zijn werk. Maar ophef ontstaat gegarandeerd.
Over sex en God, daar gaat in Nederland elk debat over, eigenlijk. Of seksualiteit mag, en of God bestaat. God mag van mij, en seksualiteit bestaat echt. (Gerard Reve In Gesprek, Interviews / 87)
Enfin, met wat ik schrijf is het precies als met het Evangelie: men dient het ernstig te nemen, maar niet letterlijk. (Brieven van een aardappeleter / 29)
Voor alle zekerheid besluit hij zijn religieuze overpeinzingen voortaan regelmatig met:
Maar verder: alles geestelijk, en generlei kwetsing van andersdenkenden beoogd. (Brieven aan Geschoolde Arbeiders / 149)
Nader tot Reve
Tekst: Ans Willems, 21 januari 2005