Nader tot Reve: Levensarchief Naar de homepage van Nader tot Reve
tak
Herkenning
De Webmaster schreef onlangs een aardig stukje over de drie Grote Gerard Reve Dagen in december 2001 in het Letterkundig museum te Den Haag. Ik bezocht alle drie die dagen en schreef, kort daarna, onderstaande ontboezeming die ik nog niet eerder publiceerde.
Ruim veertig jaar geleden maakte ik voor het eerst kennis met het werk van Gerard Reve. Ik las toen, gezeten in de voortent van een door mij gehuurde caravan, staande op een camping in Zuid Frankrijk, het boek De Avonden. Volgens mijn vrouw heb ik bij die gelegenheid het boek in één adem uitgelezen en daarbij afwisselend erbarmelijk gehuild en onbedaarlijk gelachen. In de loop der jaren heb ik dat nog vaak moeten horen.
Gisteravond, in de trein op weg naar huis en na het bijwonen van twee van de drie Reve-dagen, moest ik daar weer eens aan denken. Ook overdacht ik hoe het nu komt dat ik vanaf dat moment vrijwel alles van- en over Reve ben gaan lezen en nog steeds lees.
Ook overdacht ik het feit dat er de afgelopen dagen veel over de grote Volksschrijver is verteld, dat hij vaak werd geciteerd en dat wij prachtige beelden van hem hebben gezien van voormalige opnamen voor de Verrekijk, maar dat we nog van niemand hebben vernomen waarom hij een uitgesproken bewonderaar of liefhebber is van de oude meester. En ik mag toch aannemen dat velen van ons dat zijn als je één, twee of zelfs drie dagen uittrekt om over hem te horen spreken.
Welnu, misschien mag ik dan, als eenvoudige lezer, vrijwel onvoorbereid en niet wetenschappelijk onderbouwd mijn steentje bijdragen en u laten weten wat althans voor mij de reden is dat ik Reve verkies boven tal van andere schrijvers.
Cover eerste druk De Avonden
Want de ontroering die ik ervaarde in die voortent op de camping te Frankrijk heb ik bij het lezen van welke tekst dan ook slechts enkele keren mogen meemaken. Ik heb dat nog steeds bij het lezen van De Avonden en bij sommige andere werken van Reve en natuurlijk ook bij het lezen van sommige van zijn gedichten. Met, voor mij, als absoluut hoogtepunt het gedicht Herkenning uit 1965. Ik kan dan ook niet nalaten dat hier te citeren.
Herkenning.
Nu weet ik, wie gij zijt,
de Jongen die ik eenzaam zag te Woudsend en daarna,
nog op dezelfde dag, in een kafee te Heeg.
Ik hoor mijn Moeders stem.
O Dood, die waarheid zijt: nader tot U.
Ook ging ik gisteravond in de trein van Den Haag naar mijn woonplaats eens na welke teksten van andere schrijvers mijn gemoed zo zwaar ontroeren en ook aanspreken als die van Gerard Reve. Ik kwam slechts op twee stuks. Dat is niet veel, na een leven lang boeken lezen maar misschien komt dat ook wel doordat je binnen een uurtje van Den Haag naar mijn woonplaats reist en dan bovendien nog keer op keer wordt afgeleid door medepassagiers met draagbare telefoonapparaten en door dienstmededelingen omtrent defecte bovenleidingen en de vertragingen van de trein door andere oorzaken.
Nu wilt u natuurlijk weten welke schrijvers hetzelfde bij mij teweegbrachten als Gerard Reve. Het is natuurlijk hoogst persoonlijk maar het zijn: grote delen van het boek 'Onder de vulkaan' van Malcolm Lowry en de naar verluid door de apostel Paulus geschreven brief aan de Corinthiërs en dan wel 1 Corinten 13 de verzen 1 t/m 13 waar Paulus spreekt over geloof, hoop en liefde.
En dan nu de oplossing van mijn geheim. Het is de herkenning! Door toeval ook de titel van het door mij meest bewonderde gedicht dat ik zojuist mocht citeren. Er moet een God zijn. Het is de razendknappe, zeer juiste en buitengewoon ontroerende omschrijving van een ervaring die je ook zelf al eens hebt meegemaakt. Ik heb geen Nederlands gestudeerd en ben geen wetenschapper die u nu zonneklaar kan aantonen dat ik gelijk heb. Wel kan ik u, door slechts één voorbeeld te noemen, misschien aantonen wat ik precies bedoel.
Daarvoor neem ik u even mee naar mijn geboortehuis in het kleine stadje waar ik nog steeds woon, zo'n 60 jaar geleden. Ik was een jongetje van 10 jaar en groeide op in een normaal middenstandsgezin. En hoewel de tweede wereldoorlog net was begonnen hadden we het nog goed. Op een avond, na de gezamenlijke maaltijd, kwam mijn moeder, na de afwas in de keuken, de woonkamer binnen. De kolenkachel gloeide heerlijk, wasrekje er omheen met dampend wasgoed, mijn oudere broer las een boekje, mijn vader de avondkrant en ik zat op de grond met iets te spelen.
'Zo', zei mijn moeder, 'nu zal ik het mij ook eens wat makkelijker maken'.
Ze ging achter haar grote stoel met hoge rugleuning staan, deed haar jurk uit en begon haar korset los te pellen. Ik gluurde in haar richting en zag dingen die niet bestemd waren voor de ogen van een jongetje van 10 jaar. Niemand had mij in de gaten maar ik voelde dat ik een enorme kleur kreeg en me eigenlijk diep schaamde voor wat ik nu ongemerkt zag. Ik vertel u dit voorval in mijn eigen gebrekkige woorden en zinnen. Gerard Reve zou dat natuurlijk veel beter kunnen, sterker nog, voor mijn gevoel heeft hij dat ook gedaan.
De ware Reve-kenner zal nu wel begrijpen waar ik naartoe ga.
Op die camping in Frankrijk las ik, vele tientallen jaren later het slot van De Avonden. En daar was het! De herkenning! Frits van Egters komt terug van enige avondbezoeken. Hij komt de huiskamer binnen en treft daar zijn beide ouders. Ik citeer:
In de huiskamer stond zijn vader in ondergoed bij de kachel. 'Goedenavond', zei Frits. 'Zo, mijn jongen', antwoordde de man. 'Hoe kan iemand zoon uitpuilende buik krijgen' dacht Frits, 'Een zwangere huisknecht.' 'Almachtige God', zei hij bij zichzelf, 'zie dit. Hoe heet zulk ondergoed met hemd en broek uit één stuk?' Hansop, geloof ik.' Hij bekeek de kleding nauwlettend.
Aan de achterkant, onder aan de rug, was een lange verticale spleet, die open stond. 'Ik kan zijn reet zien', dacht hij. 'De klep om te kakken staat open'' 'Almachtige God', zei hij bij zichzelf, 'zie toe: zijn reet is te zien. Zie deze man. Het is mijn vader. Behoed hem. Bescherm hem. Leid hem in vrede. Hij is uw kind.'
En dan, tenslotte, nog de laatste zin van het mooiste boek van deze en de vorige eeuw in Nederland en omstreken:
Hij zoog de borst vol adem en stapte in bed. 'Het is gezien', mompelde hij, 'het is niet onopgemerkt gebleven.' Hij strekte zich uit en viel in een diepe slaap.
Tekst: Co Woudsma Sr.
De illustratie bij dit artikel is afkomstig uit Zelf Reve Verzamelen.