Nader tot Reve: Levensarchief Naar de homepage van Nader tot Reve
tak
Mammie, droomt hij dat nou allemaal, of is het echt?
Een schrijver mag en moet zelfs dromen. Gerard Reve is zich hiervan bewust.
Mijn naam veroordeelt mij tot het leven in een droomwereld, wist je dat? (Roomse Heisa / 27)
Het betekent dat zijn wereld niet vanzelfsprekend ook de onze is.
Voor mij zijn de voorstelling en de idee vrijwel even belangrijk en reëel als de tastbare werkelijkheid. (Brieven Aan Matroos Vos / 151)
Zijn geliefd publiek is graag bereid hier een heel eind in mee te gaan, maar vroeg of laat wordt er een streep getrokken. Als niet meer duidelijk is of het gaat om een ironische grap of om een oprechte emotie kan elke recensent wel de eigen inschatting voor algemeen bindend verklaren, maar vindt men elkaar voornamelijk in de conclusie dat je bij Reve nooit weet of hij meent wat hij zegt.
Reve gaat er van uit dat men over een bepaalde karakterstructuur moet beschikken om zich voor zijn werk te kunnen interesseren, zoals dat ook geldt voor al dan niet iets kunnen zien in een geloofsleer.
(..) òf de leer 'zegt' de betrokkene niets, of de betrokkene wordt ontroerd en geestdriftig, omdat het religieuze wereldbeeld aansluit bij zijn temperament en past op de structuur van zijn gevoelsleven. (Moeder En Zoon / 226)
Daarnaast merkt hij op dat lezen veel minder passief is dan men vaak denkt.
Ik heb soms zelfs de idee, dat een kunstwerk wel goed in elkaar moet zitten, maar dat het de allerlaatste toets van afwerking moet ontberen: dat het zo goed als, maar nèt nog niet geheel en al voltooid moet zijn, en dat de lezer, de luisteraar, de kijker, het allerlaatste dat ontbreekt, zelf moet kunnen invullen. (Gerard Reve In Gesprek, Interviews / 116)
Een bepaald creatief voorstellingsvermogen is vereist, een bepaalde intelligentie. Reve verzet zich tegen de opvatting van veel nieuwbakken schrijvers, die naar zijn idee denken dat de lezer bij voorkeur een puzzel voorgezet wil hebben, maar is er van overtuigd dat ook de eenvoudigste mens de diepzinnigste zaak kan begrijpen, mits goed geformuleerd.
Mijn ambitie is om datgene, hoe diep, hoe tragisch, hoe visionair en mythisch het ook is wat ik beweer, in principe moet iemand van goede wil, zonder opleiding, dat wil zeggen specifieke kennis van de literatuur, het kunnen begrijpen. (Televisiegesprek met Koos Postema, ter gelegenheid van de 65e verjaardag van Reve.)
Hij voegt eraan toe dat hij zich vanuit dit besef met een bepaalde ironie, die toch wel gemeend is, de grote volksschrijver noemt.
Nader tot Reve
Ondanks de grote schare aanhangers blijft het Reve dwars zitten dat wat hij zo indringend mogelijk probeert te formuleren vaak toch niet over komt. Hij neemt het zelfs een van zijn uitgevers kwalijk.
Hoeveel mensen zouden Moeder En Zoon begrijpen? Vier, of vijf? Of toch nog enkele honderden? Geert van Oorschot, groot kultuurdrager, die al 35 jaar hoge en kulturele boeken uitgeeft, in elk geval niet. Hij denkt bijvoorbeeld, dat ik in het slot de hele religie van tafel veeg, en dat die laatste twee paginaas een volmaakt atheïstisch credo vormen. Als mensen een boek kunnen lezen, de woorden en de zinnen syntakties begrijpen, maar tenslotte tot die konklusie komen, bestaan ze dan wel echt? Ik schrijf Geert af en toe brieven, maar het meeste van wat er in staat begrijpt hij tegengesteld aan wat ik bedoel. (Brieven Aan Josine M. / 504)
Elco Brinkman, voormalig partijleider van het Christen Democratisch Appèl en minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur, kijkt verder. Hij erkent in 1995 in het tv-programma Levenslied tegenover Reve dat hij pas in de loop der jaren is gaan zien, dat deze alle grappen en relativeringen als het ware gebruikt om de mensen naar de kern van het leven te brengen. Reve beaamt wat hij zelf ook al vaker heeft benoemd.
Ik leef niet in een tijdvak, dat voor mijn ideeën veel begrip toont. Ik moet ze daarom, handig verborgen in avontuur, aksie en anekdote aan de man brengen. (Een Eigen Huis / 220)
Het hedendaagse officiële credo is: het leven is een chemisch proces; de mens is niets anders dan een gecompliceerd stuk materie; oude mensen zijn niets, jonge mensen alles waard; erotiek is identiek aan de biologische paringsdrift; prostitutie en pornografie zijn prachtig; het symbool bestaat niet meer - de reageerbuis is onze God; goed en kwaad zijn fiksies; de liefde is een achterhaalde, burgerlijke illusie; etc. etc. (Brieven Aan Mijn Lijfarts / 146)
In wisselende bewoordingen, maar zeer eenduidig, legt Reve telkens weer uit waar het hem om gaat.
Mijn grondthema - eigenlijk het thema van alle kunst - is drievuldig: het falen van de Liefde, Eenzaamheid, (Zelf) Ouder Worden, en de Doodt, en het Zoeken Naar Godt (een lofwaardige maar tijdrovende bezigheid). (Brieven Van Een Aardappeleter / 277)
Ja, ik kan over het Geloof niet op 1 andere manier praten. Ik tob daar zo diep over, dat ik er wel ironie bij moet voegen. (Ik Had Hem Lief / 181)
De profanisering van het religieuze, zijnde niets meer dan een grap? Nee, zegt Reve, het profane tast het heilige niet aan en bovendien, om de waarheid mag je toch wel lachen. Evenmin levert het samengaan van ironie en humor met volledige ernst een stijlbreuk op, waardoor de polen elkaar zouden opheffen. Het tegendeel is waar, al vergt het voeling met beide polen om dit als zodanig te kunnen ervaren. Lambert Simon, zijn biechtvader, heeft daar geen moeite mee.
(..) ik wist wel zeker, dat hij in al mijn tobberijen en geestelijke worstelpartijen, ondanks alle aanstellerij en ademloos gekakel waarmede ik ze omgaf, de kern van waarachtigheid herkende. (Moeder En Zoon / 276)
Nader tot Reve
Reve heeft het recht en het vermogen om zijn gevoelswereld tot uitdrukking te brengen moeten bevechten. Maar waarom zoveel omhaal, zoveel 'aanstellerij en gekakel' in plaats van helder te formuleren wat hij bedoelt. Soms kiest hij, zoals gezegd, bewust voor een vorm die de inhoud bij de lezer moet binnensmokkelen. Op andere momenten noemt Reve het de gevoelens, voorstellingen en gedachten die opkomen, zonder dat hij er iets aan kan doen. Niet zelden maken deze overigens het geheel juist herkenbaar en geloofwaardig. Boven alles echter ziet Reve - geïnspireerd door de door hem bewonderde filosoof Schopenhauer - in, dat de zaak waar het ten diepste om gaat niet uitgesproken kan worden. Je kunt omschrijvende bewegingen maken en er óver praten, maar dat is iets anders.
Het wezen van het schrijverschap is het inzicht van de schrijver, dat dat, waar het om gaat, nooit te beschrijven is. (Gerard Reve In Gesprek, Interviews / 39)
Schrijven wordt door Reve dan ook vergeleken met een wanhoopsdaad; hij moet het doen, maar heeft geen enkele zekerheid dat het zal lukken en iets opleveren. Wel ontdekt hij al werkende technieken en wetmatigheden, die hem een bepaald houvast geven. In een serie gastcolleges voor de Faculteit Letteren van de universiteit van Leiden en in vier openbare colleges zet Reve in 1985 zijn opvattingen wat betreft de kunst van het schrijven uiteen. Hij is zich er van bewust dat het gaat om persoonlijke ervaringen, maar acht zijn beweringen geldig en bruikbaar. Tegelijkertijd blijft het zo, dat de zaak waar het om gaat niet uitgesproken kan worden. Gelukkig is er het symbool.
Symbolen zijn voor mij, op grond van mijn karakterbouw en op grond van mijn kunstenaarschap, onontbeerlijk: niets kan wezenlijk begrepen worden indien het niet gezien wordt als symbool. (Brieven Aan Josine M. / 172)
Reve beschrijft vier aspecten van de werkelijkheid. De objectieve kennis van het ding door het verstand, de betekenis die wij aan het ding toekennen, datgene wat door het ding gesymboliseerd en tot uitdrukking gebracht wordt, en tenslotte dat wat een ding in diepste en totaalste wezen is. Het is ons volgens Reve niet gegeven dit laatste aspect te kennen. Het tweede en derde aspect van de werkelijkheid kunnen we begrijpen onder gunstige omstandigheden, wanneer een diepere betekenis en onze menselijke projectie samenvallen.
Misschien bevordert mijn artistiek vermogen het produceren van archetypische, tijdloze voorstellingen, en kan ik door deze begaafdheid symbolen herkennen en begrijpen te midden van een wereld, waarin een algemene symboolblindheid overheerst. (Brieven Aan Mijn Lijfarts / 162)
Wat niet letterlijk of allegorisch kan worden aangegeven, kan wel in een symbool worden meegevoerd. Reve stelt hierbij als voorwaarde, dat de schrijver zich er niet bewust van mag zijn dat hij een symbool hanteert. Zo twijfelt hij vaak aan de waarde van wat hij op papier zet. Maar hij weigert geldigheid te ontzeggen aan beelden, die met overweldigende kracht bezit van hem nemen, komend vanuit een bron die met de rede niets te maken heeft, terwijl hij zich tegelijkertijd realiseert dat er alleen een leesbare tekst kan ontstaan indien de rede ordenend en organiserend optreedt. In het artistieke proces kunnen aldus het onbewust en bewuste elkaar raken. Het blijkt dan niet meer voorop te staan of iets wel of niet uitgesproken wordt, wat je niet kunt of durft uitspreken kan toch aanwezig zijn. Reve geeft zijn roman De Avonden als voorbeeld. In een interview uit 1991, voorafgaand aan de voorlezing van De Avonden, ontrafelt hij het geheim ervan.
Het is een vreemd, hallucinerend boek, dat werkt door datgene wat met een geweldige kracht en dreiging wordt aangeduid, maar dat er niet met zoveel woorden, expliciet, dus tastbaar, zichtbaar, hoorbaar in staat, maar het is er wel. (De enorm explosieve, samengebalde erotiek in het boek: de religieuze erotiek, de sociale erotiek en de lichamelijke erotiek.)
Nader tot Reve
Grote en geheimzinnige woorden maken van een schrijver geen goed schrijver. Evenmin kunnen ze bewerkstelligen dat men van een goed boek ook daadwerkelijk gaat houden. Men voelt zich aangesproken door de humor van Reve of door zijn diepzinnigheid, of misschien zelfs door beide. Men wordt geboeid door zijn cliché's en herhalingen, ofwel men moet er niets van hebben. Natuurlijk mag men in zijn werk zien wat men er in wil zien. Maar Reve verwacht net iets meer.
Ik wil verworpen of aanvaard, maar in de eerste plaats begrepen worden. Ik wil niet onbegrepen verworpen worden. (Gerard Reve In Gesprek, Interviews / 95)
Hij realiseert zich dat dit veel gevraagd is.
Voor de lezer blijft alleen de stijl over, de manier waarop je een gedachte ontvouwt. Bij hem blijven bijkomstige dingen hangen. Ik bedoel, als je in een etalage aardewerk zet, door jou gebakken, en mooi geglazuurd, en je plaatst het geheel in een kruiwagen, om het wat rustieker te maken, dan komen de mensen binnen en willen die kruiwagen kopen, dat bedoel ik. (Gerard Reve In Gesprek, Interviews / 139)
Het misverstand heeft echter ook zo zijn voordelen.
Mijn werk gaat eigenlijk in het geheel niet over de homoseksualiteit. Maar misschien is het goed om het terzake bestaande misverstand aan te wakkeren. Een kunstenaar verkoopt zijn werk & wordt gevierd bij de gratie van het misverstand, dat wordt mij zo langzamerhand wel duidelijk. (Het Lieve Leven / 78)
Veel critici doen het voorkomen alsof Reve al jaren op zijn retour is. Een herhaling van zetten. Al vanaf De Avonden heeft men zich evenzeer tegen als voor uitgesproken en meent ieder voor zich precies te kunnen aangeven waar de streep getrokken dient te worden tussen de zin en onzin van Reve. De herhalingen van Reve echter staan in een telkens nieuw licht. Het is alsof hij probeert om datgene wat hem levenslang bezwaart en ernst is in een steeds luchtigere context te plaatsen. Geen grap, maar een bevrijding. De vrijmoedigheid die hij ermee wint ontslaat hem van de verplichting zijn waarheden en relativeringen te verpakken in een jargon, dat het goed doet bij progressieve en intellectuele lezers en dat hem veel succes heeft gebracht, maar dat niet het zijne is en het ook nooit zal worden, omdat hun werkelijkheid teveel uitsluit. Pas in zijn laatste boeken durft hij vrijuit te schrijven en zich meer dan ooit daarvoor te onttrekken aan het oordeel en begripsvermogen van anderen.
Overigens is er vrijwel geen criticus die begrijpt, dat mijn verhalen alle op een of andere wijze waar zijn, net zoals bijvoorbeeld het boek Jona(s), Genesis of het H. Evangelie. (Brieven Aan Josine M. / 356)
Genesis beeldt gewoon het meest kernachtig het menselijk lot uit. Als dat niet waar is, wat is dan waar? (Gerard Reve In Gesprek, Interviews / 198)
Reve probeert al schrijvende de materiële werkelijkheid te overstijgen, met het beangstigende risico dat daarbuiten enkel dood bestaat, maar met ook de mogelijkheid dat in die leegte iets van waarheid geopenbaard wordt.
Bij alle, overigens weinig uiteenlopende motieven die mijn werk bevat, behelst het eigenlijk maar één enkel thema, één idee, één moraal: Verlossing. Verlossing uit wat men gemakshalve, en vermoedelijk abusievelijk, 'de werkelijkheid' pleegt te noemen. (Een Eigen Huis / 219)
- Mammie, droomt hij dat nou allemaal, of is het echt? - Kind, niet zo zeuren. (Nader Tot U / 47)
Tekst: Ans Willems, 21 juli 2004