Nader tot Reve: Levensarchief Naar de homepage van Nader tot Reve
tak
NAVOLGING
In september 1987 *) zond de VPRO-radio de opname uit van een gesprek dat Ad Fransen voerde met Gerard Reve, naar aanleiding van het uitkomen van diens bundel Verzamelde gedichten.
Zes jaar eerder had Reve zijn gedichten voorgelegd aan 'Zeergeleerde vrouwe' Dr. Ida Gerhardt, met daarbij de vraag of zij vond dat ze iets inhielden en of hij er mee door zou moeten gaan. (Schoon Schip / 304) De dichteres, aan wie kort daarvoor de P.C. Hooft-prijs was toegekend, beantwoordde Reve's brief zonder haar mening te geven over wat hij haar had toegestuurd. Reve verontschuldigde zich in zijn tweede brief beleefd voor het ongevraagd werk ter beoordeling toezenden, maar noemde haar daarna wel 'onze nationale treurwilg'. Feit is dat tijdens kerkdiensten in heel Nederland teksten van Ida Gerhardt worden gebeden en gezongen.
In het radio-interview zegt Reve dat hij erg trots zou zijn als de kerk ook van zijn gedichten, in zekere zin eveneens gebeden of geestelijke liederen, gebruik zou maken. Hij ziet het echter niet gebeuren, aangezien de rijm en het juiste ritme ontbreken. Wel komt hij op katholieke scheurkalenders zinnen van zichzelf tegen. En het psychiatrisch ziekenhuis Ermelo ('een positief-christelijk ziekenhuis hoor') heeft een citaat van hem prachtig op de omslag van haar maandblad gezet.
Er is niets tegen waanzin, zolang er Gods zegen op rust en er bovendien een systeem in zit.
Reve haalt een bijbeltekst aan, die op de 100 jaar oude gevelsteen van het ziekenhuis in Ermelo staat. Een jaar na het interview laat Reve zijn nieuwe roman Bezorgde Ouders (1988) door dezelfde tekst vooraf gaan.
En Hij genas allen die kwalijk gesteld waren; opdat vervuld zoude worden hetgeen gesproken is door de profeet Jesaja: 'Hij heeft onze krankheden op Zich genomen, Hij heeft onze ziekten gedragen.' (Mattheüs 8:16,17)
Voor wat de kerk in de loop der eeuwen heeft geformuleerd en geconserveerd spreekt Reve in het interview zijn waardering uit. Hij doelt daarbij niet alleen op de inhoud van de teksten. De bijbel bevat tevens een rijkdom aan stijlvormen en is daarmee een onuitputtelijke bron, die hem als schrijver inspireert.
Wat betreft zijn gedichten geeft Reve aan dat hij is beïnvloed is door dichters, die hij bewondert. In zijn verantwoording bij de Verzamelde gedichten noemt hij J.C. Bloem als een van hen. Hij heeft het over 'een tot navolging aansporende bewondering', welke hij koestert voor een bepaald kort en bondig genre in de poëzie, dat complexe materie tot de kern weet terug te brengen. (Verzamelde gedichten / 128)
In het radio-interview verdedigt Reve niet alleen het standpunt dat er niks mis mee is om je open te stellen voor goede invloeden, hij gaat nog een stap verder. Hij vindt het een uitdaging om te proberen werk van anderen te verbeteren. Als voorbeeld geeft hij een gedicht van J.C. Bloem, die naar zijn idee omwille van het ritme en vanuit een bepaalde slordigheid op twee plaatsen niet het ideale woord heeft gekozen. Reve weet het beter.
Nader tot Reve
Zonder overtuigd te zijn van de kwaliteit van al zijn gedichten stelt Reve in het radio-interview dat er aan Slapeloos (Verzamelde gedichten / 121) naar zijn idee niets te verbeteren valt.
Slapeloos
In de nachtwind, als ik niet slapen kan,
hoor ik de toorn en het lijden van God.
Maar boven de storm uit
hoor ik de stemmen van miljoenen zielen,
voor eeuwig verloren,
die roepen om gerechtigheid.
Wat hopen zij? Wat denken zij?
Wat denken zij van Hem?
Wat denkt Hij van Zichzelf?
Toch heeft iemand zich er niet van kunnen weerhouden om dit gedicht van Reve naar eigen hand te zetten. De Sint-Gerarduskalender (uitgave van het Redemptoristenklooster te Wittem, oplage ruim 80.000 exemplaren) vermeldt regelmatig Reve-citaten op de scheurblaadjes. Op 6 maart 1992 werd een gedicht van T. Allinga weergegeven, waarin bekende zinnen van Reve doorklinken.
Voordat ik in de Nacht ga die voor eeuwig lichtloos gloeit / uit: Bekentenis
Ik hoor mijn Moeders stem / uit: Herkenning
(Verzamelde gedichten / 52 en 60)
Maar hier blijft het niet bij. Allinga doet niet moeilijk over zijn navolging van Reve's voorbeeld Slapeloos, verbetering of niet.
Als ik 's nachts wakker lig
door niets te verdoven
dan denk ik aan de miljoenen
die zijn weggegaan.
Vooral denk ik aan haar.
Wat denken zij, onze doden?
Wat denken zij van ons?
Wat denken zij van HEM?
In de lichtloze nacht
hoor ik haar stem:
'houd moedig stand,
onze liefde is niet voorbij'.
Terug naar Reve. Beïnvloed worden is volgens hem onvermijdelijk en in de voetsporen van een ander treden kan hij voor zichzelf op een bepaalde manier als zinvol zien. Het ligt in de lijn van zijn visie op het aandeel eigenheid en originaliteit in de kunst. Hij realiseert zich dat zijn beste ingevingen komen uit een onbewuste bron (individueel, collectief, uit God of wat dan ook), waar hij geen zeggenschap over heeft en dus geen aanspraak op kan maken.
Ik geloof ook niet, om je de waarheid te zeggen, dat ik het ben die schrijft, maar dat iets of iemand anders door mij de pen en het woord voert. (In de passages waar het werk geslaagd is, bedoel ik.) (De Taal der Liefde / 42)
Reve ervaart zijn schrijverschap als in dienst staan van de kunst, een ander uitgangspunt dan de eer en glorie van de kunstenaar. Hij heeft geen hoge pet op van wat de enkeling op eigen kracht meent te kunnen ontdekken en creëren, buiten de grote tradities om.
Alles wat 'nieuw' en 'origineel' is, is slecht en waardeloos. (Brieven van een aardappeleter / 288)
Nader tot Reve
Ter afsluiting van de huldiging in de Allerheiligste Hartkerk (naar aanleiding van de toekenning van de P.C. Hooft-prijs) getuigde Reve in 1969 in zijn dankwoord van een waarheid, waar zijn hele werk naar verwijst.
Ik geloof dat God, de Liefde en de Dood drie woorden zijn voor één en hetzelfde.
Geen terloopse uitspraak. Toen hij de beelden ervan op de tv terugzag barstte hij, tot grote schrik van de mensen die met hem meekeken, in woest gesnik uit.
Wat ik op het eind van die avond gezegd heb, verbijstert mij nu - ik bedoel dat credo. Ik geloof niet, dat ik het was, die dat zei. Iemand sprak, door mij. (Brieven aan Josine M. / 254)
In zijn verantwoording bij de Verzamelde gedichten zegt Reve dat hij het meeste houdt van godsdienstige en mystieke poëzie. Ongetwijfeld heeft hij in dit verband kennis genomen van De Navolging van Christus, volgens Oosthoeks encyclopedie na de bijbel het meest gelezen boek van de wereldliteratuur en het meest verspreide boek dat Nederland ooit heeft voortgebracht. Bijna zes eeuwen geleden beschreef Thomas a Kempis hierin zijn beleving van de mystieke omgang met God.
O God, die de waarheid zijt: maak mij één met U in onwankelbare liefde.
Heeft Reve Thomas a Kempis proberen te verbeteren? De belangrijke slotregel van het gedicht Herkenning (opgenomen in Nader Tot U / 125 en 156) is in elk geval kort en bondig.
O Dood, die Waarheid zijt: nader tot U.
*) In de reeks Archief Reve (deel 11 en 12) van het radioprogramma De Avonden (VPRO) was op 16 en 23 augustus 2005 een herhaling te horen van het interview, dat eerder werd uitgezonden op 22 en 29 september 1987.
Tekst: Ans Willems, 27 augustus 2005