Nader tot Reve Naar de homepage van Nader tot Reve
tak
 
ONDER OUD ZONLICHT
'Ik gelooph in de eenzaamheid van God die op ons wacht.'
Tot de gedachtenis van Gerard Reve (1923 - 2006)
Een jaar na zijn verscheiden.
'Wanneer ik van hier vertrek, en waarheen ik dan gaan zal - alleen God weet het. Hem wil ik gehoorzamen, en tot glorie van Zijn Eeuwige Naam zal ik het vaandel wederom opheffen en voortdragen, waarop geschreven staat: Op Weg Naar Het Einde.'
'Maar Hij zeide tot hen: Ik moet ook
aan andere steden het Evangelie van het
Koninkrijk Gods verkondigen; want
daartoe ben Ik uitgezonden.' (Luc. 4 : 43)
Reisgebed
O God.
Ik sta op het punt, op reis te gaan.
Ik weet niet, of het misschien mijn laatste reis is.
Ik wil U liefhebben.
Ik hoop, dat ik onderweg niemand enig ongeluk of
ander kwaad zal berokkenen.
Ik wil proberen niet, of veel minder, te drinken.
Ik sta voor U.
Ik weet dat ik, of ik veilig zal aankomen,
dan wel onderweg verwonding, ziekte of dood zal vinden,
altijd U toebehoor.
Want in leven en sterven zijt Gij in mij en ben ik in U.
Ik ga nu weg.
Vaarwel, o God.
Deze proeve van een kerkelijk reisgebed stuurde Gerard Reve aan de redactie van De Nieuwe Linie, in de persoon van pater H. de Greeve (1892 - 1974). Aanleiding was dat De Greeve bij zijn overdenking van 28 Augustus 1965 had opgemerkt, dat slechts weinigen het itinerarium kennen, een vóór en tijdens de reis te bidden gebed. In de Rooms-Katholieke Kerk is itinerarium de naam voor het liturgisch reisgebed, bestaande uit de lofzang van Zacharias (Luc.I: 68-79) en verschillende andere gebeden.
In het reisgebed van De Greeve komen de citaten voor: 'verleen ons een voorspoedige reis en kalm weder, opdat wij, door uw heilige engel vergezeld, behouden het doel onzer reis mogen bereiken en eindelijk ook de haven van het eeuwige leven mogen binnengaan. [...] Wij smeken u, Heer, verhoor onze gebeden, en maak de weg van uw dienaren veilig en voorspoedig, opdat wij bij al de wisselvalligheden van dit leven, altijd door uw hulp beschermd worden.'
In zijn brief aan De Greeve schreef Reve hem: "Waarde Vader, Ik ben nog nooit een gebed tegengekomen dat mij niet, wegens zijn hebberige toon, met weerzin vervulde. Die weerzin geldt ook uw reisgebed, afgedrukt bij uw meditatie van 28 Augustus. Wie op reis gaat, bestede zijn tijd liever aan bijvoorbeeld het laten controleren van remmen en richtingaanwijzers, dan aan dit infantiel gedoe."
"Ik zou eigenlijk wel eens een gebed onder ogen willen krijgen, dat God zoekt, inplaats van Hem, om van alles en nog wat, aan Zijn kop te zeuren. Uw gebed heeft, volgens mij, met geloof niets te maken, want waarachtig geloof is belangeloos en vraagt niets, en smeekt zeker geen onheil af over anderen: want het kan niet overal tegelijk mooi weer zijn, en we weten evenzeer dat elke dag, onherroepelijk, een aantal ongelukken gaat brengen. Welnu: als men voor zichzelf goed weer of een veilige tocht afsmeekt, verzoekt men God dus, de naaste met tent en al te laten wegregenen, respectievelijk zich te pletter te laten rijden, want iets in de trant van 'indien het Uw wil is dat iemand op de weg omkomt, laat mij dat dan zijn' kom ik in uw gebed niet tegen. Een reisgebed, dat God en mens althans waardig genoemd zou kunnen worden, zou ongeveer als volgt moeten luiden: [ zie hierboven ]."
Met de meeste hoogachting ben ik, uw Gerard Reve.
Greonterp, Friesland, 29.8.1965
De Greeve, niet gekwetst noch kinderachtig, plaatste de brief van Reve en diens Reisgebed in De Nieuwe Linie, en noemde het 'een waarlijk treffend gebed'. 'Ik vind het zo zuiver, dat ik het overgeschreven en in mijn brevier gelegd heb.'
Vanwege de ernst van het geloof, mocht Reve graag de vrome uithangen en de pias spelen. Neem het voorval dat hij beschrijft in een brief aan Frans Pannekoek, een bevriende kunstenaar uit Pingjum, toen zij beiden midden jaren zestig in Friesland woonden.
"(...) Heb ik je al eens die dialoog verteld met de pastoor van Blauwhuis, hoe heet hij, de grootste kultuurdrager sinds Erasmus, maar ik ben evengoed zijn naam kwijt. Je weet dat ik altijd mijn geschriften zelf verspreid onder schoorsteenvegers, werksters, meteropnemers, etc., God weet waarom: het is een zwakzinnige ziekte die deels uit ijdelheid voortkomt. Maar hoe het zij, een geschrift van mij in druk komt in het bezit van pastoor Dinges te Blauwhuis, en één van de volgende keren dat ik hem zie, zegt hij:"
'Gerard, ik heb geen verstand van literatuur.'
'Ik ook niet, vader.'
'Nee, maar in dat artikel van jou in dat blad' (Ze noemen een prozafragment altijd een artikel, heb je daar wel eens op gelet?) 'daar schrijf je over een jongen, die jij zal ik maar zeggen heel sympathiek vindt, en dat jij je zusje van 15 of 16 aan die jongen wilt geven met de bedoeling dat die jongen dan, ja hoe schrijf jij dat, met zijn, met zijn ...'
'Ik weet wat U bedoelt, vader.'
'Maar dat is toch verschrikkelijk, Gerard! Je eigen zuster!'
'Ja, schandelijk, vader.'
'En een eindje verderop lees ik van je, dat God liefde is, en waarom dat zo is, en dat schrijf je zo mooi, misschien wel mooier dan het beschreven staat bij Johannes, in het evangelie, dat ik er tranen van in mijn ogen krijg. Hoe kan dat nou, Gerard, in één en hetzelfde boek?...'
'U moet rekenen, dat het maar literatuur is, vader. En ik moet tenslotte aan de kost komen.'
'Ja, goed, maar dat zusje dan?...'
'Ik heb helemaal geen zusters, vader.'
'Oh. Op die manier.'
De afstand die Reve vanuit Greonterp heen en terug te voet moest afleggen om in Blauwhuis boodschappen te halen, gebruikte hij door hardop de wording van zijn gedichten op te zeggen, en zich bij elke voetstap te overtuigen van de juiste versmaat.
De naam van het dorp is onlosmakelijk verbonden met het gedicht Graf te Blauwhuis. Het was gewijd aan een grafsteen op het katholieke kerkhof om de St.Vituskerk. Reve droeg dit vers op aan zijn vroegere buurvrouw in Greonterp, mevr. Sjiuwke Hofmeijer-Rijpma. De naamloze jongen uit het gedicht betrof haar jongste broer Gerrit, die kort voor het einde van de Duitse bezetting de dood vond, na een inval van landwachters in de boerderij van het gezin.
Een literair pelgrim zal het graf vergeefs zoeken. Begin jaren tachtig zijn de stoffelijke resten van Gerrit Rijpma overgebracht en herbegraven op Ereveld Loenen, bij Apeldoorn. Hij rust op de militaire begraafplaats in Vak E, grafnummer 1318. De gedenkplaquette met zijn beeltenis op porcelein in sepiakleur is teruggegaan naar de familie.
GRAF TE BLAUWHUIS
(voor buurvrouw H., te G.)
Hij rende weg, maar ontkwam niet,
en werd getroffen, en stierf, achttien jaar oud.
Een strijdbaar opschrift roept van alles,
maar uit het bruin geëmaljeerd portret
kijkt een bedrukt en stil gezicht.
Een kind nog. Dag lieve jongen.
Gij, die Koning zijt, dit en dat, wat niet al,
ja ja, kom er eens om,
Gij weet waarom het is, ik niet.
Dat Koninkrijk van U, weet U wel, wordt dat nog wat?
Over de vervulling die alle verwachtingen zal overtreffen, 'Uw Koninkrijk kome' - maakte Reve zich een vertederde voorstelling: "Als God eenmaal 'alles in allen' zal zijn, moet dat volgens mij inhouden dat iedereen zich binnen beloopbare afstand zal bevinden, zodat je, bij wijze van spreken, nergens meer naar toe hoeft - dat zal nog het verbazingwekkendste zijn van wat we, bij de opheffing van onze gescheidenheid van Hem, te zien zullen krijgen: het Koninkrijk Gods zal verrassend dorps zijn opgezet, en niet veel groter zijn dan Schoorl; windstil weer; babbeltje maken; man rookt pijp aan achterdeur, kijkt naar lucht, enzovoorts. Vrede, geen ruzie: er is al zoveel narigheid in de wereld. Ik bedoel maar."
De eerste wordingsversies van het gedicht Herkenning, hadden het opschrift: Gedicht aan de Dood.
herkennen (overg.; herkende, h. herkend),1 weer kennen of zich herinneren als men iemand of iets terugziet of weer hoort. (Van Dale)
'De Drie waren tezamen de ongeschapen Ene, van Wie ze de openbaring waren. Tot zo ver was alles duidelijk genoeg. Maar was er eigenlijk niet nog een vierde? Ja, dat was zo. Ja zeker, er was een Vierde, die de Drie en de Ene in alle eeuwigheid verbond, die stil was en woordloos, maar die alles vervulde, en die ik ergens gezien had, laat op een middag, maar waar?'
Gerard Reve had vaak dagdromen over zijn sterfbed: "(...) misschien zomers, buiten, op een ligbed, half opgericht. Oud zonlicht over alles, tot aan de horizon (...)." [ongepubliceerd]
Hij is ontslapen, met opengeslagen ogen, tegelijk dat het zonlicht aan de einder verstierf.
'Wat ziet gij?' Ik zag geen 'ziedende pot, komende van de Noordzijde'. 'Wat ziet gij?' 'Ik zie stoffige ramen, achter geel geworden vitrage, onder oud zonlicht.' 'Gij hebt goed gezien.'
'Wat hoort gij?' 'Soms ja, soms hoor ik een stem. Ach Here! Ik kan wel spreken, want ik ben niet jong meer.'
Want ik begreep nu, wat ik tevoren niet begrepen had, en ik herkende eerst nu, wat ik toen gezien had, op die late namiddag (...): Nu weet ik, wie gij zijt,/ de Jongen die ik eenzaam zag te Woudsend en daarna,/ nog op dezelfde dag, in een kafee te Heeg./ Ik hoor mijn moeders stem./ O Dood, die waarheid zijt: nader tot U. (Brief Uit Het Huis Genaamd 'Het Gras' ; slot.)
'Want wij zien nu door een spiegel in eene duistere rede,
maar alsdan zullen wij zien [van] aangezicht tot aangezicht;
nu ken ik ten deele, maar alsdan zal ik kennen gelijk ook ik
gekend ben.' (1. Cor. 13:12)
Hans Evers. Met dank aan Nop Maas.
Onder Oud Zonlicht, een In Memoriam, kwam tot stand op verzoek van Vroom en Vrolijk, tijdschrift over Geloof en homoseksualiteit. December 2006. De voorgelegen tekst is aan het einde herzien.