Nader tot Reve: Levensarchief Naar de homepage van Nader tot Reve
tak
EEN GEBOREN VERTELLER EN EEN RAS-SCHRIJVER
OVER DOEN EN DENKEN
- Zou je nog iets anders kunnen schrijven dan brieven?
Ik heb langzamerhand genoeg van brieven, het publiek zal er ook wel eens genoeg van krijgen. Maar ik geloof wel, dat ik in een vorm moet doorgaan, die zeer wezenlijk aan de brieven verwant is, een soort gedenkschriften. Bellettrie schrijven kan ik niet, een verhaal schrijven kan ik niet. Misschien heb ik wel humor, maar fantasie heb ik niet. (Gerard Reve in Gesprek, Interviews / 97)
In geen van mijn boeken komen mensen voor die gefantaseerd zijn: van de één leen je de neus, van de ander zijn manier van bewegen, van een derde het karakter. Ik kan mij niet voorstellen dat iemand dingen bedenkt. (Gerard Reve in Gesprek, Interviews / 109)
Mijn figuren, straten, kamers, komen nooit uit de fantasie, maar heb ik allemaal gezien. Wel meng en vervorm ik. (...) Het verhaal zelf - de ontwikkeling van het conflict - dat komt uit mijn eigen fantasie. (...)
'Dus u bouwt uw werk op uit bestaand materiaal, dat u zelf rangschikt?'
'Daar komt het wel op neer.' (Tien Vrolijke Verhalen - 1961 / 14)
Intussen denk ik aan het volgende hoofdstuk. (...) Weet jij nog een andere wending, of schrijnende details, of varianten? Denk eens goed na. Het probleem blijft, dat ik zelf niets doe, terwijl het gadegeslagen gebeuren eigenlijk niets bizonders is. Alle echte handeling moet zich dus in mij afspelen. (Brieven aan Matroos Vosch / 96)
Bij Joop is zien en handelen één. Bij mij is zien eindeloos zien. (Trouw / sept. 1998)
Maar of hij enig talent bezat voor oorspronkelijk scheppend werk, dat was voor Treger zelf nog steeds de vraag. Of neen, eigenlijk niet: op zijn leeftijd kon men, wat nog steeds niet gekomen was, ook niet meer verwachten. Het ging er nog slechts om, of men daarmede vrede had, of niet. (Bezorgde Ouders / 23)
plaatje
Tekening: Rien Poortvliet
Ik zou in werkelijkheid zo graag heel anders schrijven: verhalen die men mij zou smeken voor te lezen gezeten aan een haardvuur van wapperende vlammen, waarbij de kinderen nog wat later mochten opblijven, gewassen en in pyjama al, met natte haartjes, en alles zou één en al vreugde zijn omdat Oom Gerard gekomen was en voorlas zodat je het allemaal voor je zag zo mooi kon die alles beschrijven en zo 'levensecht waren de karakters getekend'. Een 'geboren verteller' en een 'ras-schrijver'. (De Taal der Liefde / 150)
Nader tot Reve
- Jij bent typisch een, hoe noem je jezelf ook al weer, een romantisch..
Een romantisch-decadent, en jij bent een classisistisch-optimistisch schrijver. (..) En ja, mijn wereldbeeld, mijn mensbeeld, is helaas wel een beetje een pessimistisch wereldbeeld. En ik ben erg tegen veranderingen omdat het al erg is zoals het is, het is al erg genoeg. (..)
- Maar goed, Gerard, ik ben dus een verteller, dat betekent, ik moet een verhaal hebben.
Mijn boeken hebben ook wel een plot, maar dat is een psychologische plot, er is een psychologische ontwikkeling. En mijn boeken zijn statisch, mijn boeken eindigen waar ze begonnen zijn. Het is doodgewoon echt drama: de kern van het begin is ook het einde.
- Bij mij niet natuurlijk.
Nee, jij denkt dat we ergens naar toe gaan, jij denkt dat het omhoog gaat.
- Ik wil niet zeggen omhoog, maar er zit wel voortgang in natuurlijk.
Bezorgde Ouders, dat is de ontwikkeling van iemand, die probeert iets te doen en hij doet het niet, maar hij is ermee bezig en hij komt tot een conclusie op het eind. Je kunt zeggen, er is concreet gesproken eigenlijk geen handeling, maar er is alsmaar handeling aan de gang en dat noemen wij psychologische roman. Nou heeft een psychologische roman traditioneel toch nog wel iets van een plot. Maar het mooiste zijn die boeken, dat ben ik met Schopenhauer eens, die schrijft over schrijvers en stijl: die boeken zijn eigenlijk de mooiste boeken, waar niks in voorkomt, waar niks in gebeurt.
- Da's natuurlijk flauwekul, gewoon onzin. Ik bedoel, dat zijn van die dingen die Duitse filosofen bedenken. En daar krijgen ze al dat mooie haar van. Ruim 50.000 jaar geleden, toen wij voor het eerst begonnen te stamelen, hebben er ergens rond een vuurtje kleumende mensen gezeten, bang voor wat er buiten die grot voorviel. En daar heeft een vent gezeten en die vertelde een verhaal dat hen zo boeide, dat ze dat vergaten. En zo is het begonnen! En daar ben ik natuurlijk nooit los van gekomen, want ik ben typisch een verteller.
Het hele leven is zinloos en uitzichtloos, en het menselijk bestaan kan alleen maar zin en duiding krijgen onder het licht van de Goddelijke Genade. Zo, dat zeg ik.
- Da's mooi. Ik ben opgegroeid als kind van twee theologen (...), dus van kindsafaan heb ik hiernaar zitten luisteren. En dan krijg je een moment, waarop je als jongen van 12, 13 jaar zegt: nou, ik heb het wel gehoord, maar wat doen ze nou? Begrijp je? Dus dat licht van de Goddelijke Genade en alles, da's allemaal prachtig. Maar: 'Es gibt nichts gutes, außer man tut es', heeft een Duitse wijsgeer - niet Schopenhauer - gezegd. En daar zit iets in.
Ik zie het zo - en daar kan ik niks aan doen -, als ik zeg maar thuis zit of de deur uitga, dan zie ik alles als het decor van het grote drama, wat ik al lang van tevoren gezien heb.
- Je kan prachtige beelden geven van de grootheid Gods en de uitzichtloosheid en egaliteit van alle verschijnselen, maar daar kom je als verhalenverteller niet verder mee. Je kunt het alleen doen als je accepteert de absolute..., het uiterste belang van het individu. Dat betekent dat zelfs als jij je getuigenis nu geeft van de egaliteit van alles, daarmee heb je ook een individueel standpunt ingenomen.
Het individu is duidelijk niet buitengewoon belangrijk.
- Hoe kún je het zeggen?!
Het individu is natuurlijk wel brandpunt en natuurlijk, wij zijn van Zijn Geslacht. Ik zie ook niet de futiliteit van alles als ik buiten kom, ik zie het overweldigende, het grootse, weet ik veel. Maar ik zie het niet als iemand die ervaring van buitenaf nodig heeft om tot een visie te komen. Ik ga met die visie de deur uit, ik weet hoe het in elkaar zit, ik heb alles al gezien. (...) Ik zie dus niets nieuws, ik kan er ook niets aan doen. Maar, ik ben helemaal niet in opstand tegen iets en ik wil het niet beter weten dan God, maar ik zie dus op een bepaalde manier in alles de Majesteit Gods, en dat is eigenlijk, in diepste wezen, datgene wat mij interesseert. Nou jij weer.
(Favoriete schrijvers - Gerard Reve en Jan de Hartog / TV 1992)
Nader tot Reve
Er zijn mensen die in niets, helemaal niets, Gods Majesteit kunnen zien, die geen eerbied en ontroering voelen als ze een bepaald dier zien of een plant, begrijp je, voor wie alles afgesneden moet kunnen worden, of gekookt kunnen worden of gegeten moet worden, begrijp je wat ik bedoel? Maar er zijn ook mensen, die in alles Gods Majesteit zien. En dat ben ik. Ik zie in alles Gods Majesteit, ook in het kwaad. Ik neem het God niet kwalijk, maar het kwaad is ook uit God. Maar ik bedoel, het wijkt niet af van bepaalde gedeeltes van de Schrift, als Job ergens zegt, 'O God, beschermt Gij mij tegen God'. Kijk, je moet het hele scala doorlopen, geloof is ook ongeloof. En geloof is hoog gegrepen en geloof is heel primitief. (Interview Ad Fransen - Radio 1987)
Ik heb er veel over nagedacht wat mij nou aantrekt, hoewel je ook wel eens kritiek hebt, natuurlijk. Maar het is dit, en dat is eigenlijk de kern dacht ik langzamerhand: als ik naar de mis ga, en ik zit in die kerk, dan lijdt het geen twijfel of ik wordt door mensen herkend. Maar niemand laat er iets van blijken, ik word helemaal niet herkend eigenlijk, ik ben anoniem. En als ik in Lourdes in de nachtprocessie loop met 150.000 mensen, en ik sluit me toevallig aan in die geweldige slang, al die mensen met hun kaarsen in de hand, en dat zijn de zielen uit Limburg of de Nederlandse zielen, dan moeten daar mensen bij zijn die mij herkennen. Maar daar blijkt helemaal niets van, van iemand aanstoten, kijk eens dat is die. Nooit, helemaal niet. Het gaat namelijk om iets anders, iets veel belangrijkers. En dan besef je, in zo'n genade-oord, dat er iets is wat zich onttrekt aan de bemoeienis van mensen. En hoeveel licht en hoeveel genade, of hoe weinig licht en hoe weinig genade, er op de aarde en op de mensheid neerdalen, is niet de zeggenschap van mensen. Er is, godzijdank, ook nog iets, het allerbelangrijkste, waar mensen geen ene moer over te vertellen hebben. En dat geeft mij geweldig veel vreugde, extase en troost. (Interview Koos Postema - TV 1988)
Je bent totaal anoniem binnen die muren, dat is het heerlijke. En briljant je op de voorgrond dringen, zoals in een politieke partij of in een of andere militante beweging, dat kent het katholicisme niet. Het individu betekent weinig. En dat is wel verlossend, natuurlijk. (Interview Antoine Bodar -TV 1991)
Ik geloof in God, maar ik geloof in Hem, terwijl ik weet dat ik enkele tientallen jaren leef, en dan als as verstuif, zonder enige gedachtenis, na een leven dat in het bestel van God zin heeft, maar naar menselijke maatstaven geen enkel doel dient. (Brieven van een Aardappeleter / 50)
'Iedereen heeft zijn geschiedenis,' zei hij, 'maar het is zelden een belangrijke.' (De Avonden / 126)
Waar ik wel van overtuigd ben, is dat men tegenwoordig in onze maatschappij dood en ouderdom weg stopt en dat men denkt dat iemand van tachtig minder waard is dan iemand van zestien. (Gerard Reve in Gesprek, Interviews / 69)
Ik heb de indruk, dat jij te veel de nadruk legt op de waarde van 'een functie in de maatschappij'. (...)
Het leven van oude mensen, die niet meer werken en niet meer aan belangrijke beslissingen deel hebben, en wier leven grotendeels of slechts geheel bestaat uit herinnering en bespiegeling, kan desondanks een volstrekt volledig en volwaardig leven zijn. (...)
Het leven van een oude man of vrouw, zittend aan het raam en nog slechts de deur uitgaand voor enkele boodschappen, misschien af en toe nog eens een boek of oude brieven lezend en mogelijk nog een stukje tuin of een bloembak en een huisdier verzorgend, ook dit leven is groot en heilig en Gode welgevallig. (...)
Als ik oud moet worden, dan hoop ik dat ik in staat zal zijn - als ik niet meer wil of kan schrijven - om met voldoening en in rust de gehele namiddag bij de waterval aan de andere zijde van het dorp te gaan zitten kijken, en met de mensen die ik tegenkom zonder gewetenswroeging een praatje te maken over absoluut 'niets': over het vroege of late voorjaar, de brandstofprijs, het kweken van goudfazanten of het isoleren van je huis tegen de mistral. (Brieven aan Josine M. / 349)
En tot dat soort leven, in stilte, een altijd eender uitzicht op een dal of op de zee, oude kerkhoven ('gelijk het gras is ons etc.') een zich waarschijnlijk nooit wijzigend menu van gestoofde vis met enige kruiden en een gekookte vrucht, ¾ liter wijn per dag en savonds, bij het invallen van de schemering en het geraas van krekels, peinzend 3 kleine glaasjes goedkope konjak, vloer met fijn zand aanvegen, olielamp bijvullen, en eindeloos terugdenken aan vroeger, wil ik me bepalen. (...) ik kan mezelf tot een veel wisselvalliger leven met de beste wil van de wereld niet forceren. (Brieven aan Josine M. / 41)
Ik zou kunnen zeggen dat jij God achterna zit en hoopt hem te pakken. En ik blijf zitten waar ik zit, ik denk hij komt wel voorbij, dan zien we wel. (Favoriete schrijvers - Gerard Reve en Jan de Hartog / TV 1992)
Nader tot Reve
Gerard Reve en 'de grote Nederlandse protestantse volksschrijver Jan de Hartog' (Brieven aan Simon Carmiggelt / 271) zijn met elkaar bevriend vanaf 1940. Het tv-programma Favoriete Schrijvers laat zien hoe ze 52 jaar later innig gearmd over een perron lopen, blij elkaar na een tussenliggende periode van 10 jaar weer te ontmoeten. In zijn verhaal Drie Woorden (Archief Reve 1961-1980) beschrijft Reve het begin van hun vriendschap. Reve, 16 jaar jong, heeft net zijn eerste dichtbundel (Terugkeer) in een oplage van 25 exemplaren laten stencillen. Hij ziet op tegen de 25-jarige Jan de Hartog, die op dat moment triomfen viert met zijn roman Hollands Glorie. De Hartog vlucht tijdens de Tweede Wereldoorlog Nederland uit en vanaf die tijd schrijft hij voornamelijk in het Engels. Nog steeds door bijna alle Nederlandse critici terzijde geschoven geldt hij in Amerika als een vooraanstaand schrijver, en ook in Frankrijk, Duitsland en Engeland telt hij volop mee. Er wordt wel gesteld dat Jan de Hartog (1914-2002) na Anne Frank de meest gelezen Nederlandse auteur is.
Reve weet geen plot te bedenken voor zijn boeken, terwijl de Hartog zegt niet te kunnen schrijven zonder een plot. Maar volgens Reve is er toch een overeenkomst.
Er is grote verwantschap, allebei is het een getuigenis. (..)
Ja, er is bij hem wat meer joligheid en wat meer vertoon en misschien zelfs, met mij vergeleken, wat meer aanstellerij, maar dat is bijna niet denkbaar. Maar het is bij ons beide dezelfde heroïek. Bij mij is het een huiskamerheroïek, bij hem is het toch een heroïek en een inzet.
(...) Als je bedenkt dat die man, toen hij al lang niet meer zo jong was, die schandelijke toestanden zag in dat gemeenteziekenhuis in Houston en dat hij daar niet over schreef in de zin van 'moet je nou eens horen wat erg dat is', maar hij ging daar zelf, met zijn vrouw, als vrijwillig verpleger werken. Daar ben ik niet voor in de wieg gelegd. Ik zou dat wel willen, ik zou een offer best willen brengen, maar het zou geen moer uithalen. Maar híj wel.
(..) Kijk, ik zeg altijd spottenderwijze: ik ben in heel Noord- en Zuid-Holland wereldberoemd. Maar hij is in de hele wereld wereldberoemd. Dat is andere koffie dan thee! (Favoriete schrijvers - Gerard Reve en Jan de Hartog / TV 1992)
Tekst en samenstelling: Ans Willems, 17 juli 2006