Nader tot Reve: Levensarchief Naar de homepage van Nader tot Reve
tak
"Jongens hebben een wortel, meisjes hebben een brievenbus"
Hans Evers over Reves biechtvader Jan Hendrikx.
Op 15 Februari 2002 opende Guus van Bladel in Weert de tentoonstelling 'Olie Voor Gerard Reve Zijn Lampen'. Deze tentoonstelling omvatte een deel uit de collectie Augustini Revianum, die de gemeente Weert vorig jaar van Van Bladel aankocht. Aan hem werd die middag het eerste exemplaar uitgereikt van Koninklijke Jaren, de Weerter periode van Gerard Reve, opgetekend door Bert Boelaars. Vooraf kwamen enkele gastsprekers aan het woord, onder wie Hans Evers over Reves biechtvader Jan Hendrikx en de afschuw bij bisschop Eijk van tegennatuurlijke mannenontucht.
Dames en Heren,
WAAR GELOOF IS, DAAR IS AANVECHTING.
Met aanvechting zij hier bedoeld: geilheid, alias de drift van het bloed, de vereniging der geslachten, welk zinnelijk genot is ontzegd aan een dienaar des Altaars. Het altaar is het symbool van Christus, voor wie de gelofte van kuisheid wordt afgelegd om Gods Woord te mogen verklaren.
Volgens de Kerk is prostitutie en masturbatie een zonde tegen het eigen lichaam, en met name het laatste is ontoelaatbaar voor de levensvorming van de jeugd, van wie wordt verwacht dat zij als ongerepte sneeuw het huwelijk zullen ingaan. Maar toen de Katholieke Kerk eerverleden jaar haar Jubeljaar vierde, moest er na afloop van de wereldjongerendagen een grote hoeveelheid condooms worden opgeruimd. "Seks moet, God mag." om Gerard Reve te citeren, die alle sport afdoet als zijnde ongezond, behalve het herenenkelspel.
Eerder ontstond er bij ons commotie, over de collegetraktaten van de pasbenoemde bisschop van Groningen, Mgr. Eijk. Wim Eijk. Voordien doceerde deze moraaltheoloog aan een kweekschool van Priesterstudenten, en hield hen voor dat homoseksualiteit "een neurotische ontwikkelingsstoornis is" (geestelijke scheefgroei), en dat homo's elkaar niet kunnen liefhebben. Er is slechts sprake van wederzijdse zelfbevrediging. Eijk zou willen dat een bisschop het recht krijgt, om priesters voor hun wijding te vragen of ze ooit gemasturbeerd hebben of homoseksueel zijn.
Waren deze vragen destijds gesteld aan wijlen Jan Hendrikx en door hem bevestigend beantwoord, dan zou hij - als het aan ondervrager Eijk had gelegen - nooit parochiegeestelijke zijn geworden.
Bij leven was Jan Hendrikx eerst kapelaan te Weert en later pastor te Linne, een post in een mooi landschap onder de rook van Roermond. Naast zijn taken van herderlijke zielzorg, zat Jan Hendrikx in het bestuur van de Homoseksuele Vakbond COC, afdeling Eindhoven, onder voorzitterschap van Guus van Bladel. Beiden deelden een bewondering voor de schrijver Gerard Reve, niet alleen om diens stilistische kwaliteiten, maar bovenal om de openheid over zijn seksuele geaardheid en zijn persoonlijke beleving van Gods Woord.
Nochtans werd ik niet moede U te loven.
Want onbegrijpelijk groot zijn al Uw werken.
Gij, die het wezen gemaakt hebt
dat van achteren een kut en van voren een staart heeft.
heet het in het gedicht Een Nieuw Paaslied.
Sommige passages in zijn geschriften werden evenwel aangemerkt als godslastering en brachten Reve in conflict met het Openbaar Ministerie. We spreken over het Ezelproces ten tijde van de jaren 1966, '67 en '68 - jaren waarin Reve veelvuldig optrad in het land om te lezen uit zijn literaire werk. Zo ook in Eindhoven, op uitnodiging van Guus van Bladel, namens het COC.
Aan zijn komst verbond Reve een bepaald verzoek, dat was gericht aan Jan Hendrikx. Die had hem namelijk aangeboden om in de pastorie te blijven overnachten. "Waarde Vader," begint Reve zijn brief. En na een korte opsomming van een paar praktische gegevens, vervolgt hij: "(..) Als U, na de zitting, thuis geestrijke dranken serveert, gaat mijn begeerte uit naar wat rode wijn. (Doodgewone, goedkope en krengerige rode landwijn is goed genoeg.) Ik durf na mijn delirium van 1½ jaar geleden niets anders meer te drinken. Tegen het in mijn bed leggen van een 19½ jarige, verlegen, donkerblonde, aan Weltschmerz lijdende en naar de koestering door een veel oudere, stoere vriend hunkerende Jongen zal ik mij niet verzetten. (..)"
Hoe dit verder afliep, ga ik u niet zeggen. Het valt uitgebreid te lezen in het boek dat straks zal worden gepresenteerd: Koninklijke jaren, de Weerter periode van Gerard Reve, opgetekend door Bert Boelaars.
De Jongen die aan Reve in bed werd toevertrouwd, was iemand op wie Jan Hendrikx zelf jarenlang tragisch verliefd is geweest. In de aanloop van zijn correspondentie met Jan Hendrikx, kon Reve het niet nalaten om de onfortuinlijke geilheid van zijn broeder in Christus danig te prikkelen. Met zijn onnavolgbare vermenging van sprookje en fel realisme, gaf hij voor wat de Jongen hem had toegestaan. Een aantal van die brieven is opgenomen in de bundel Brieven Aan Geschoolde Arbeiders, de brieven aan Jan H. Deze brieven worden voorafgegaan door een aantal brieven aan de Jongen zelf, te weten Jan Gerard S.
In de niet-gepubliceerde brieven aan Jan Hendrikx blijft het gissen, of diens contacten met jongens verder gingen dan de zedelijke hulp van zijn pastorale zorg. Dat Hendrikx deze zorg soms erg zwaar viel, daarvan getuigen de volgende brieffragmenten:
"Lieve Jan, Een kwartier geleden belde ik je huis, om van je huishoudster te horen, dat je vannacht naar het ziekenhuis was gebracht. Van de hoofdzuster in het ziekenhuis hoorde ik, dat je toestand weer redelijk wel was, maar dat men alle risico's zoals van bezoek nog wilde vermijden. Aangezien je niet dik en niet oud bent, denk ik meer aan psychische dan aan lichamelijke oorzaken. Je hebt jarenlang psychisch heel veel moeten verwerken, denk ik. Daarbij verdring je bovendien, geloof ik, veel te veel de normale, menselijke, demoniese gevoelens van haat en agressie."
"Ik hoop dat je niet te veel pijn en angst hebt gehad. Als je er eenmaal doorheen bent, moet je proberen iets gemakkelijker en iets onverschilliger te leven. Eén mens kan nu eenmaal niet alle leed helen of torsen. Verder denk ik, dat je je alle wel en wee van Jan S. wel erg hebt aangetrokken, dat erg lieve, maar uiterst wrede dier. (..)"
Enige maanden later schrijft Reve:
"Lieve Jan, Al dagen, misschien zelfs weken lang, heb ik, overweldigd door Melancholie, niets uitgevoerd. Ik zit aan tafel, en moet aan mijn nieuwe boek beginnen, waarvan ik precies weet wat het moet bevatten, maar ik kom niet op gang. In al die wanhoop en woede is het bericht, dat jij nog vóór de toegezegde datum uit het ziekenhuis bent ontslagen, tenminste goed nieuws."
"Je bent er goed afgekomen, maar hebt een duidelijke waarschuwing gehad. Je kunt dokter Sengers natuurlijk advies vragen, maar het is de vraag naar de bekende weg: omgang met een geliefd maar onbereikbaar wezen is een kwelling, en het gaat er maar om, of je die kwelling wilt en kunt verdragen. Jan Gerard S. is een aardige, charmante, interessante jongen, maar mag gerekend worden tot de 'ongrijpbare jeugd'. (Dat heeft niet eens met ons beider leeftijd te maken.) Jan S. heeft een sterk sadistische en narcistiese inslag. Hij wil je niet kwellen en jaloers maken, maar hij moet het: hij kan niet anders. De vraag is dus: wegen de vertedering en de geilheid en de koestering van een droom tegen alle ellende op? Is het een louterend lijden, dat je sterker maakt, of ga je er aan ten onder? Ik denk dat jij, beter dan welke psychiater ook, zelf wel het antwoord weet. (..)"
Het is nauwelijks een geheim dat Jan Hendrikx - mogelijk door het gemis aan affectie - zich steeds vaker onderdompelde in bacchische sferen. Op zaterdagavonden werd hij dronken in het café, en na sluitingstijd nam hij jongens uit het dorp mee naar de pastorie. Tot de uit haar nachtrust gehaalde huishoudster, 's morgens om een uur of vier, een einde maakte aan de keet. De volgende dag verscheen Hendrikx te laat in de kerk, om soms nog beneveld en al de mis te celebreren.
Eén anekdote in het bijzonder haalde zelfs de regionale krant. Tijdens een sacramentsprocessie schuifelde Hendrikx wankel vooraan in de stoet, met de monstrans in zijn handen. Bij een kapel langs de kant van de weg knielde hij neer om te bidden. Maar na een lang en ongemakkelijk wachten, verried zijn scheefgezakte hoofd, dat hij geveld door de drank zijn roes zat uit te slapen. Toch, door de sympathieke uitstraling van zijn persoon, bleven de parochianen - ondanks het drankmisbruik - Jan Hendrikx op handen dragen.
Intussen bedankt Reve Hendrikx herhaaldelijk dat hij hem telkens trouw terugschrijft, en dat de brieven hem veel goed doen. "(..) Het komt ook dat ik met niemand kan praten, over God, die lijdt, etc. etc. Ook word ik soms gek van angst, dat God mij voor eeuwig verlaten heeft, omdat ik een slecht en zondig en ijdel mens ben, enz. (..) Weet je wat ik erg graag zou willen? Ik zou graag eens bij jou biechten. Ik bedoel niet allerlei geile praat, maar alles vertellen wat mijn ziel belast. (..)"
Ik citeer in dit verband een passage uit het begin van het verhaal Het Zesde Jaar, dat het eerste hoofdstuk moest zijn van het boek waar Reve toentertijd aan schreef, maar waarmee hij in een impasse was geraakt: Het Boek Van Het Violet En De Dood of: Een Lied Voor Allerzielen: "(..) Ik zou de moed willen bezitten om alle dingen die ik gedaan heb, en die de verschrikking van mijn leven uitmaken, op te schrijven, zodat het donker van mij zou wijken - ik ben gezeten en verblijf in het duister, en wordt omringd door Duisternis: alles is Nacht, waarin een kaars verbrandt. (..)"
Hans Evers
Hans Evers
Toch blijft de toon in de brieven aan Hendrikx monter. Reve maant hem om te stoppen met roken en minder te drinken, en gegeven het hartinfarct zijn gezondheid beter te ontzien. Dat hij zelf gematigd is in zijn alcoholgebruik, dicht Reve toe aan Maria: "(..) Ik denk dat één en ander het werk is van God zijn lieve Moeder, Sterre der Zee en Medeverlosseres, maar ook Patrones van de homoseksuelen, (zulks voorlopig nog in het Geheim). Ik wilde je schrijven, hoe zeer ik je brieven op prijs stel, en hoe flink ik het vind wat je doet en waarvoor je je durft inzetten. Misschien heb je er een heel klein beetje aan, dat ik je dat schrijf. (..)"
Reve doelt hierbij op de activiteiten van Jan Hendrikx, als medeoprichter van de COC-afdeling Limburg in Roermond.
Jaren later ontstond er nochtans flinke bonje, door toedoen van de aarsconservatieve bisschop Gijsen. In een lang artikel in Vrij Nederland, door Jan Rogier, werd onder meer gesproken over de omgang van Reve met zijn biechtvader Jan Hendrikx. Tussen de regels door viel te lezen, dat Hendrikx geen afstand nam van de sodomistische blasfemie waar Gijsen Reve van betichtte.
"Lieve Jan, Je moet niet tobben, in ieder geval niet over één of ander hetzartikel in dat hetzblad Vrij Nederland. Het veelbesproken artikel van die mislukte, afvallige en zeer ontevreden, perverse, jongensschendende asthmalijder heb ik niet eens gelezen: ik heb mij slechts de feitelijke inhoud laten na vertellen. Niemand weet overigens, wat het bedoelt te zeggen. (..)"
Hendrikx kwam echter onder kerkelijke curatele te staan, en kreeg als straf enige tijd geen salaris meer door het bisdom uitbetaald. In zijn houding van pastor en homoseksueel werd hij voorzichtiger, zo niet ambivalent.
Reve, die inmiddels een bouwval in Frankrijk had gekocht, schrijft hem: "(..) Ik heb één zeer goedkope, vlijtige, sterke, aantrekkelijke, gehoorzame huisknecht-metselaar voor huis, haard en bed in Frankrijk nodig, een anusje van alles, zogezegd. (..)"
Na een reeks van kandidaten, zou Reve uiteindelijk zijn keuze maken voor Joop Schafthuizen, alias Matroos Vos: "(..) Hij is volgens mij het doorslaggevende bewijs dat er een God is. (..) Je mag hier in huis een korte Heilige Mis van dankzegging opdragen, het huis en de automobiel, Matroos Vos en mij zegenen, etc. (..) Nog steeds heb ik niet gebiecht, en zo ik opeens zoude komen te sterven, zoude ik mij niet in staat van genade bevinden. Ik wil wel bij onze Franse regenmaker mijn zonden belijden, maar weet niet hoe dat uitpakt: òf hij stuurt alle mooie jongens 'met problemen' vanuit de biechtstoel linea rectum aan mij door, òf hij maakt mij voor eeuwig stuk in dorp en streek. Geef jij mij maar eens te gelegener tijd terzake een advies. (..)"
Helaas is het Joop Schafthuizen geweest, die voortaan bepaalde met wie Reve nog vriendschappelijk mocht verkeren. Onder de velen werd ook Jan Hendrikx de deur gewezen, en daarmee staakte de omgang en correspondentie tussen hem en zijn 'geloofsgenootje' Reve.
Ik sluit af met een gedicht, dat is geïnspireerd in vaste trouw aan het geloof, en door de persoon Jan Hendrikx, aan wie Reve hem toevertrouwde: "(..) Eigenlijk is de lichamelijke erotiek niet mijn wezenlijk probleem. De religieuze erotiek, mijn relaatsie met God dus, daar gaat het bij mij om. Het is een illusie, en hoogmoedig, om te denken dat wij ooit iets anders zouden kunnen zijn dan God. Ons leven is een droom en een schaduw: Gods droom en schaduw. Ons leven heeft geen zin in zichzelf, maar alleen als we er God in herkennen. God wordt wakker, en het wordt licht, en wij zijn verdwenen. Misschien zal hij ons, in Zijn onmetelijke Genade, zo kunnen doen verdwijnen, dat wij nooit bestaan hebben. (..)"
THEOLOGIE
God droomt ons. Als Hij straks wakker wordt
zijn wij voorgoed verdwenen.
Moet Hij gewekt, of mag Hij nog wat slapen?
Daar weet geen priester antwoord op.
Ik dank u voor uw aandacht.
Hans Evers, Weert 15 Februari 2002
Tekst: Hans Evers
Dit artikel is in najaar 2002 verschenen in Puntkomma (nummer 4).